Europees energiebeleid
1. Het energiebeleid van de Europese Unie
Energiezekerheid
De toenemende energie-afhankelijkheid van de EU van een beperkt aantal landen, de Russisch-Georgische oorlog in de zomer van 2008 en de gascrisis tussen Oekraïne en Rusland begin 2009 hebben aangetoond dat de EU nood heeft aan een extern energiebeleid dat op een meer geïntegreerde en coherente wijze wordt gevoerd. Dit beleid moet inspelen op drie doelstellingen die elkaar wederzijds versterken: concurrentievermogen van de markt, duurzaamheid (met name wat de milieuaspecten betreft) en zekerheid van de bevoorrading (diversificatie van aanvoerlanden en energiebronnen).
Het derde “energiepakket” over de integratie van de interne energiemarkt, en het pakket klimaat/energie (wetgevingsvoorstellen voor de uitvoering ervan zijn in de maak) zijn belangrijke luiken van dit beleid. Op 13 november 2008 stelde de Commissie een mededeling voor over de tweede toetsing van het energiebeleid. De kern ervan is een voorstel met betrekking tot een Europees actieplan inzake energiezekerheid en energiesolidariteit. Dit plan is bedoeld als aanvulling op de maatregelen die tot nu werden voorgesteld om de fundamentele doelstellingen van de Unie inzake energie te verwezenlijken, met name duurzame ontwikkeling, competitiviteit en zekerheid van de bevoorrading. Het actieplan rust op vijf pijlers: actieve diplomatie voor een diversificatie van de leveranciers en de ontwikkeling van grote energie-infrastructuurprojecten, de ontwikkeling van de externe energiebetrekkingen, crisisopvangsystemen die stoelen op het gemeenschappelijk gebruik van olie- en gasvoorraden, een daadkrachtiger beleid inzake energie-efficiëntie van gebouwen en producten en een optimaal gebruik van de eigen energiebronnen van de EU. Wat het externe luik betreft, is het de bedoeling te komen tot een coherent en gericht extern energiebeleid waarbij gebruik wordt gemaakt van alle beleidsinstrumenten, de interne en de externe, waardoor de EU éénzelfde standpunt kan innemen. De Commissie dringt erop aan dat de EU zich inzet voor de diversificatie van de energievoorziening (hernieuwbare energiebronnen, biobrandstoffen, …), van de geografische herkomst van de energie en van de doorvoerroutes (aanleg van pijpleidingen, maar ook meer gebruik maken van LNG). In het actieplan wordt tenslotte aangedrongen op een verhoogde samenwerking tussen energieproducenten, -consumenten en doorvoerlanden.
De Europese Raad van 19 en 20 maart keurde conclusies goed die gericht zijn op de versterking van de energiezekerheid van de EU op middellange en lange termijn overeenkomstig de tweede strategische toetsing van het energiebeleid. De Europese leiders
- herinnerden aan de noodzaak om de energie-infrastructuur en de interconnecties te ontwikkelingen. De Commissie en de lidstaten worden opgeroepen om gedetailleerde acties voor te stellen voor de verwezenlijking van de doelstellingen op de prioritaire gebieden die in de tweede strategische toetsing van het energiebeleid zijn vastgesteld (zuidelijke gascorridor, gediversifieerde en adequate LNG-bevoorrading voor Europa, doeltreffende interconnecties voor de Baltische staten, de mediterrane energiering, noord-zuid-interconnecties voor gas en elektriciteit naar Centraal- en Oost-Europa en de bouw van een windmolenpark in de Noordzee en het noordwestelijk deel ervan). De Commissie wordt verzocht om begin 2010 voorstellen te formuleren over het nieuwe instrument voor energiezekerheid en voor energie-infrastructuur,
- riepen de Commissie op om tegen 2009 voorstellen in te dienen betreffende de herziening van de wetgeving inzake de zekerheid van de gasbevoorrading, met inbegrip van een crisismechanisme,
- riepen de Raad op om voor het einde van het jaar tot overeenstemming te komen over de voorstellen van het energie-efficiëntiepakket en over de herziening van het actieplan voor energie-efficiëntie,
- riepen de Commissie op om tegen het einde van het jaar concrete maatregelen voor te stellen voor de ontwikkeling van de zuidelijke gascorridor, met name een systeem voor de gemakkelijke toevoer van Kaspisch gas,
- riepen de Raad en het Europees Parlement op om voor het einde van de zittingsperiode een overeenkomst te sluiten over het derde pakket in verband met de interne energiemarkt.
Ten slotte zijn er in de Raad onderhandelingen aan de gang over een voorstel van richtlijn over de olievoorraden.
Klimaat/energiepakket
In januari 2008 formuleerde de Commissie wetgevingsvoorstellen voor de uitvoering van de verbintenissen die de staatshoofden en regeringsleiders aangingen op de Europese Raad van maart 2007. Het betreft met name de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 20% ten opzichte van 1990 (tegen 2020 wordt een vermindering van de uitstoot met 30% voorgesteld voor zover er op wereldschaal een nieuw verdrag inzake klimaatwijziging tot stand komt), een verbetering met 20 % op het gebied van energie-efficiëntie en een stijging met 20% tegen 2020 van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het totale energieverbruik. Verder moeten de Lidstaten binnen dezelfde termijn ook het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de vervoersector op 10% brengen.
De wetgevingsvoorstellen van de Commissie bevatten voor elke Lidstaat ambitieuze en bindende doelstellingen. De Raad en het Parlement hechtten hun goedkeuring aan de volgende maatregelen:
- De wijziging van de richtlijn betreffende een systeem van verhandelbare emissierechten (ETS) biedt enerzijds garanties voor een grotere en anderzijds een harmonisering van de methode voor de vaststelling van de maxima en voor de toewijzing van deze hoeveelheden. De nieuwe ETS-regeling wordt uitgebreid naar een groter aantal sectoren en naar andere gassen (momenteel betreft het enkel de CO2-uitstoot). De inkomsten uit de ETS worden doorgestort naar de lidstaten die ze deels moeten aanwenden om de EU te helpen een milieuvriendelijke economie uit te bouwen. Een deel van deze inkomsten kan ook worden besteed in het kader van een internationale overeenkomst om de ontwikkelingslanden te helpen in hun strijd tegen de klimaatwijziging.
- In de sectoren die niet onder de ETS vallen (vervoer, bouw, diensten, kleine industriële installaties, landbouw en afvalverwerking) geldt het bruto binnenlands product van de Lidstaten als verdeelsleutel voor de inspanningen die moeten worden geleverd om aan de door de EU aangegane verbintenis voor de vermindering van de broeikasgasemissie te voldoen. België zal de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 met 15% verminderen. Het Europese gemiddelde bedraagt 10%.
- Op het gebied van hernieuwbare energiebronnen krijgt elk land becijferde en bindende doelstellingen opgelegd. Tegen 2020 moet België aan 13% van zijn energiebehoefte voldoen met hernieuwbare bronnen. Tot slot zouden alle lidstaten 10% van de transportbrandstof uit hernieuwbare energiebronnen moeten halen.
- De lidstaten hechtten ook hun goedkeuring aan een voorstel voor een wetgevingskader dat de afvang en de opslag van koolstofdioxide regelt. De lijnen van een nieuwe communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu waren voordien al uitgezet.
2. Het milieubeleid van de Europese Unie
Onder invloed van internationale ontwikkelingen heeft het Europese milieubeleid sinds de jaren ’70 een gestage opmars gekend. Belangrijke internationale milieuconferenties, zoals deze van Stockholm (1972) , Rio (1992) en de Klimaatconferentie van Kyoto, hebben het thema milieu helemaal mee op de Europese agenda geplaatst. Vandaag de dag is de Unie de belangrijkste speler op het vlak van milieubeleid, en heeft ze een indrukwekkend acquis opgebouwd. Bovendien heeft ze zich in de afgelopen jaren ook op het multilaterale vlak steeds meer een voortrekkersrol aangemeten.
De verdragsrechterlijke basis en de bevoegdheden
De Europese Unie en meer bepaald de Europese Commissie vormt de spil van het Europese milieubeleid. De Gemeenschap beschikt sinds de Europese Akte (1986) over uitdrukkelijke bevoegdheden om een milieubeleid te voeren, op grond van de titel “milieu” van het EG-Verdrag (Verdrag van Rome, 1957).
Artikel 2 van het Verdrag van de Europese Unie (Verdrag van Maastricht, 1992) introduceert bovendien het beginsel van duurzame ontwikkeling en milieubescherming als algemene doelstellingen van de Unie. Elke maatregel die de Unie neemt wordt op deze wijze getoetst aan dit basisbeginsel.
Het beleid inzake milieubescherming dient evenzeer te sporen met de beginselen van de interne markt en de vrije concurrentie. Artikel 95 EG- Verdrag biedt hiertoe de nodige garanties. Maatregelen ter bescherming van het milieu én ter vrijwaring van de interne markt kunnen bovendien op basis van dit verdragsartikel worden geïnitieerd.
De artikelen 174-176 van het EG-Verdrag vormen de werkelijke basisgrondslag tot het nemen van communautaire maatregelen ter bescherming van het milieu. Op basis van deze bepalingen neemt de Commissie het initiatief tot het formuleren van wetgevende voorstellen. Deze voorstellen worden vervolgens door de Raad en het Europees Parlement via de medebeslissingprocedure besproken en goedgekeurd. Dit is de basisprocedure uit hoofde van artikel 175 EG-Verdrag. De raadplegingsprocedure, waarbij het Parlement geen beslissend advies kan geven, komt slechts in een beperkt aantal gevallen voor.
De concrete wetgevende maatregelen inzake milieubescherming passen in een breder meerjarig beleidskader. In 1972 werkte de Commissie werkte de Commissie voor de eerste maal een dergelijk strategisch kader uit, het Eerste Milieuactieplan (MAP). Het huidige (zesde) meerjarenplan loopt van 2002 tot 2012 en kiest naast een evidente communautaire en grensoverschrijdende aanpak van milieubescherming voor een meer gerichte thematische aanpak via verschillende clusters en subthema’s. Binnen deze clusters schetst de Commissie de contouren van haar beleid en stelt ze concrete wetgevende maatregelen voor.
Vaak wordt reeds vooraf de insteek van de lidstaten gevraagd rond een bepaald onderwerp, via het uitbrengen van Witboeken. Ook wordt uitgebreid en proactief overleg met het maatschappelijk middenveld een steeds belangrijker onderdeel van het besluitvormingsproces, en dit gebeurt vaak onder de vorm van Groenboeken of internetconsultaties.
Hoe verdedigt België haar belangen op het Europese toneel?
Binnen de brede multilaterale en Europese beleidscontext wil België zoveel mogelijk wegen op het besluitvormingsproces en wil het zijn nationale belangen verdedigen. Dit is niet anders voor wat betreft het milieubeleid. Zij dient daarbij evenwel rekening te houden met de bevoegdheidsverdeling tussen de federale overheid en de gewesten die in België een ruime milieubevoegdheid hebben.
Er bestaan verschillende mechanismen en instrumenten om de positie die ons land zal innemen op de Europese scène te bepalen of om de verschilllende standpunten binnen België op mekaar af te stemmen.
Het Samenwerkingsakkoord van 8 maart 1994 tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en Gewesten, met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de Ministerraad van de Europese Unie wijst de Directie-Generaal Europese Zaken en Coördinatie (DGE) van de Federale Overheidsdienst (FOD) Buitenlandse Zaken de coördinatie toe van het Belgische standpunt voor elk punt van de dagorde van de Raden van de EU, dus ook de Raad Milieu.
Een ander belangrijk intern orgaan voor de coördinatie en het overleg inzake (Europees) milieubeleid is het Coordinatiecomité Internationaal Milieubeleid (CCIM), opgericht als permanent orgaan binnen de Interministeriële Conferentie Leefmilieu.
Aandachtspunten van ons land inzake Europees milieubeleid
Ons land tracht in de discussies over communautair milieubeleid steeds een pro-actieve, maar constructieve rol te spelen. Er wordt naar gestreefd een hoog niveau van milieubescherming te verzoenen met de principes van de eerlijke concurrentie en de mogelijke impact op het sociale weefsel, in overeenstemming met de drie pijlers van duurzame ontwikkeling. Een ver doorgedreven harmonisatie en een systematische toepassing van de communautaire methode zijn daarbij de sleutelwoorden.
