Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
1. Inleiding
Sinds het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 1962 in het leven werd geroepen, is het op geregelde tijdstippen nieuwe uitdagingen aangegaan. Na de door het GLB behaalde successen in de jaren 70, die tot uiting kwamen in de sterke toename van de landbouwproductiviteit en de regelmatige inkomensstijging voor de landbouwers, was het zaak werk te maken van het beheer van productieoverschotten. De bijsturende hervormingen van de jaren 80 leidden tot de invoering van beperkende kwantitatieve maatregelen in een aantal sectoren, met name door de instelling van de melkquotaregeling in 1984.
In 1992 onderging het GLB de meest radicale wijziging in zijn geschiedenis. Deze behelsde de inkrimping van de marktsteun die gedeeltelijk werd gecompenseerd door rechtstreekse steun in de vorm van hectare- en dierpremies, zodat het evenwicht op de markten in het algemeen werd hersteld en een bijdrage werd geleverd aan de stabilisatie van het landbouwersinkomen.
In 1999 werd een nieuwe hervorming goedgekeurd. Deze accentueert de veranderingen van 1992 en legt zich toe op de instandhouding van het Europees landbouwmodel zoals gedefinieerd in de verklaring van de Raad van de Ministers van Landbouw van november 1997, een verklaring die bekrachtigd werd door de Europese Raad van december 1997. Als economische sector moet de Europese landbouw multifunctioneel, duurzaam en concurrentieel zijn en over het gehele grondgebied werkzaam zijn (dus ook over de probleem- en de berggebieden). De Europese landbouw wordt geacht het landschap en de natuur in stand te houden en een wezenlijke bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van het platteland. Ook is het zo dat de Europese landbouw moet voldoen aan de wensen en de eisen van de consument op het gebied van de kwaliteit en de veiligheid van voedselproducten, de bescherming van het milieu en het welzijn van dieren. Naar aanleiding van de hervorming van 1999 werden de maatregelen ten voordele van de plattelandsontwikkeling samengebracht in één regelgevend kader, dat voorzag in een toename van de financiële middelen. De begrippen eerste pijler (rechtstreekse steun aan de landbouwers en marktondersteuning) en tweede pijler (plattelandsontwikkeling) van het GLB werden bij deze gelegenheid ingevoerd.
De meest recente hervormingen die in 2003 werden ingezet, hebben niet alleen ten doel het concurrentievermogen van de landbouw te versterken en de productie af te stemmen op de behoeften van de markt, maar ook de plattelandsontwikkeling te versterken door middel van nieuwe maatregelen en de overdracht van middelen van de eerste pijler naar de tweede pijler van het GLB. Daarnaast komen de hervormingen tegemoet aan de verwachtingen van de samenleving op het gebied van voedselveiligheid en voedselkwaliteit, milieubescherming en dierenwelzijn.
Na de health check van de in 2003 en 2004 doorgevoerde GLB-hervormingen, onderging het GLB in 2008 nog een aantal wijzigingen. Deze behelzen een betere afstemming van de productie op de behoeften van de markt en maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling om de nieuwe uitdagingen voor de landbouwsector aan te gaan (klimaatverandering, hernieuwbare energie, biodiversiteit, waterbeheer, innovatie en herstructurering van de melksector).
Momenteel is de voorbereiding aan de gang van een nieuwe grote hervorming van het GLB voor de periode na 2013. In de mededeling van 18 november 2010 over het document « Het GLB tot 2020 », somt de Commissie de drie doelstellingen op die de kern van het toekomstige GLB zullen vormen: rendabele voedselproductie, een duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen dat gepaard gaat met acties die de klimaatverandering tegengaan en een evenwichtige territoriale ontwikkeling.
De bespreking van de mededeling in de Raad leidde op 17 maart 2011 tot de goedkeuring van de conclusies van het Hongaarse voorzitterschap door een twintigtal Lidstaten, waaronder België. De onderwerpen die aan bod kwamen waren: de specifieke functie van de twee pijlers van het GLB, de toekomstige invulling van de rechtstreekse steun om de landbouwers een minimuminkomen te garanderen en hen te vergoeden voor de levering van openbare goederen en diensten die niet door de markt worden verloond, de meer billijke verdeling van de steun tussen de Lidstaten, de maximalisering van de rechtstreekse steun aan grote landbouwbedrijven, de regulering van de markt met gepaste instrumenten, de invoering van nieuwe instrumenten voor risicobeheer om voor de landbouwers het inkomensverlies beperkt te houden, de invoering van billijke concurrentievoorwaarden tussen landbouwers uit de EU en landbouwers uit derde landen die noodzakelijk is vanwege de strenge productienormen die de EU oplegt en die op hun beurt het gevolg zijn van de eisen van de consumt en maatschappelijke zorgen allerhande, de steun aan jonge landbouwers en de handhaving van de landbouwactiviteit in alle plattelandsgebieden.
De indiening van wetgevingsvoorstellen wordt tegen de herfst van 2011 verwacht.
Rechtstreekse steun en marktondersteuning
De hervormingen van 2003-2004 en de wijzigingen in 2008
- De bedrijfstoeslagregeling en de ontkoppeling van de steun
- De invoering van de bedrijfstoeslagregeling
- De regeling inzake een enkele areaalbetaling
- De specifieke steun
- De voorwaardelijkheid van de steun
- De modulatieregeling
- Marktondersteuning
De hervormingen van 2005 tot 2007
- De maatregelen van 2003
- De nieuwe verordening voor de periode 2007-2013
- De aanpassingen van 2008 en 2009
2. Rechtstreekse steun en marktondersteuning
2.1. De hervormingen van 2003-2004 en de aanpassingen van 2008
2.1.1. De bedrijfstoeslagregeling en de ontkoppeling van de steun
De hervorming waarover binnen de Raad Landbouw op 26 juni 2003 een politiek akkoord werd bereikt, leidde tot de invoering van een sleutelelement in het GLB, met name, de ontkoppeling van de rechtstreekse steun. Zulks betekent dat een groot deel van de rechtstreekse steun voortaan wordt losgekoppeld van de productie en in de vorm van een bedrijfstoeslag wordt uitgekeerd. Op die manier worden de landbouwers ertoe aangezet hun productie af te stemmen op de markt en niet langer op criteria die bepalend zijn voor het ontvangen van premies.
De in 2003 ingevoerde bedrijfstoeslagregeling trad in 2005 in werking, maar de toepassing ervan kon in een aantal lidstaten worden verdaagd tot 2007. De lidstaten die het risico op stopzetting van bepaalde landbouwactiviteiten wilden beperken, mochten voor bepaalde sectoren een gedeeltelijke ontkoppeling toepassen (akkerbouwgewassen, teelt van rundvee, schapen en geiten) en bepaalde vormen van steun uit de bedrijfstoeslagregeling halen, meer bepaald de steun voor de zaadteelt. Voor een aantal teelten bleven ook specifieke steunmaatregelen gelden (eiwithoudende gewassen, harde tarwe, rijst, noten, steun voor telers van zetmeelaardappelen).
Op 22 april 2004 bereikte de Raad Landbouw een akkoord voor de hervorming van vier nieuwe sectoren (hop, olijfolie, tabak en katoen). Voor hop werd een gedeeltelijke ontkoppeling van de steun toegestaan. Slechts een deel van de steun die eerder in de drie andere sectoren werd toegekend, werd overgeheveld naar de nieuwe bedrijfstoeslagregeling. Het resterende deel wordt nog toegekend als specifieke steun. Voor tabak wordt de steun vanaf 2010 volledig ontkoppeld.
Bij de hervormingen die in de sectoren suiker, bananen, groenten en fruit en wijn plaatshadden tussen 2005 en 2007, werden nieuwe rechtstreekse steunmaatregelen ingevoerd en rechtstreeks in de bedrijfstoeslagregeling geïntegreerd.
Het akkoord van 20 november 2008 over de health check van het GLB is een verdere stap naar de volledige ontkoppeling van de steunmaatregelen. Voor de steun voor akkerbouwgewassen, harde tarwe, olijfgaarden en hop, is de loskoppeling vanaf 2010 een feit. De steun voor de zaadteelt en het merendeel van de steun voor de rundveesector worden uiterlijk in 2012 losgekoppeld. In 2012 wordt ook de volledige loskoppeling doorgevoerd van specifieke steunregelingen die bij de hervorming in 2003 nog gehandhaafd bleven. Verwerkingssteun (gedroogde voedergewassen, zetmeelaardappelen, vezelvlas en vezelhennep) wordt in de loop van 2012 geïntegreerd in de bedrijfstoeslagregeling.
De lidstaten mogen nog wel de schapen- en geitenpremies (koppeling tot maximum 50%) en de zoogkoeienpremie handhaven.
De areaalsteun voor katoen blijft behouden maar de premie voor energiegewassen die in 2003 werd ingevoerd als stimulans voor de sector, wordt afgeschaft.
Als gevolg van de hervormingen die vanaf 2003 plaatshadden, zal na 2013 meer dan 90% van de rechtstreekse steun zijn losgekoppeld van de productie.
In België werd na de hervorming van 2003 het merendeel van de steunregelingen losgekoppeld van de productie. Alleen de zoogkoeienpremie, de slachtpremie voor kalveren (alleen in het Vlaamse Gewest) en de zaadteeltpremie voor vlas en spelt zijn nog volledig gekoppeld.
2.1.2 De toepassing van de bedrijfstoeslagregeling
Naar keuze van de lidstaten wordt de bedrijfstoeslag berekend op individuele basis (het zogenoemde "historische" model), op regionale basis (het zogenoemde "regionale" model) dan wel op beide wijzen (het zogenoemde "hybride" model).
Wat het "historische" model betreft, bepaalt de hervorming van 2003 dat elke landbouwer toeslagrechten ontvangt overeenkomstig het gemiddeld aantal hectaren dat recht gaf op rechtstreekse steun in de referentieperiode 2000-2001-2002. Het bedrag van het toeslagrecht is gelijk aan het referentiebedrag (gemiddeld bedrag van de rechtstreekse steun voor akkerbouwteelten en dierlijke producties tijdens de referentieperiode) gedeeld door het aantal toegewezen toeslagrechten. Het aantal toeslagrechten en de berekening van het referentiebedrag werden achteraf bijgestuurd op basis van de hervormingen die werden goedgekeurd voor een aantal sectoren die niet onder de hervorming van 2003 vielen.
Wordt het "regionale" model gehanteerd, dan stemt het regionale referentiebedrag overeen met het gemiddelde van de totale bedragen die over drie jaar aan de landbouwers van de desbetreffende regio tijdens de referentieperiode werden betaald. Voor de berekening van het toeslagrecht van de landbouwers wordt dit referentiebedrag gedeeld door het aantal subsidiabele arealen die werden vastgelegd op regionaal niveau. Het toeslagrecht van de landbouwers van eenzelfde regio is volgens dit model dan ook forfaitair. Net zoals voor het "historische" model werden de referentiebedragen bijgestuurd op basis van de na 2003 goedgekeurde hervormingen.
De lidstaten die kiezen voor een gedeeltelijke regionalisering van de bedrijfstoeslagregeling, hanteren het "hybride" model. In dat geval wordt de regionale forfaitaire waarde van alle toeslagrechten van de landbouwer, in voorkomend geval, vermeerderd met een bedrag dat individueel wordt berekend op historische basis.
Ingevolge de health check van het GLB krijgen lidstaten die voor het historische model opteerden niet alleen het recht om het bedrag van de toeslagrechten gelijk te trekken, maar ook om vanaf 2010 te kiezen voor het regionale model.
In België wordt de bedrijfstoeslagregeling op individuele basis toegepast ("historisch" model).
2.1.3 Regeling inzake een enkele areaalbetaling
In de nieuwe lidstaten werd een regeling inzake een enkele areaalbetaling ingevoerd. Het is een vereenvoudigd model dat de betaling behelst van een forfaitair bedrag per hectare dat, in voorkomend geval, voor bepaalde sectoren wordt vermeerderd met de aanvullende nationale betalingen. Naar aanleiding van de health check van het GLB werd beslist dat de tien nieuwe lidstaten die deze regeling nog hanteren, ze tot 2013 mogen toepassen. Slovenië en Malta zijn in 2007 reeds overgeschakeld op de bedrijfstoeslagregeling, met een regionaliseringsoptie. Het is zo dat de rechtstreekse steun geleidelijk wordt ingevoerd in de nieuwe lidstaten. De rechtstreekse steun zal in 2013 integraal van toepassing zijn in de lidstaten die in 2004 zijn toegetreden. Voor Bulgarije en Roemenië is dat 2016.
2.1.4. Specifieke steun
Sinds de hervorming in 2003 mogen de lidstaten per sector 10% van hun nationale budget voor rechtstreekse steun in de betreffende sector besteden aan steun voor milieumaatregelen of acties ter verbetering van de kwaliteit en de afzet van de producten. Na de health check werd deze regel nog versoepeld en verruimd tot andere maatregelen. Dit betekent dat de middelen niet langer dienen besteed te worden in de betreffende sector maar wel in sectoren die te lijden hebben onder bepaalde nadelen omdat ze in een zone liggen die vanuit economisch of milieustandpunt bekeken kwetsbaarder is (rijst, de zuivelsector, de rundvee- , schapen- en geitensector). De middelen mogen ook worden besteed aan maatregelen inzake risicobeheer (oogstverzekering voor natuurrampen en onderlinge fondsen in geval van dier- of plantenziekten) met een overheidssteun die tot 65% van de kosten mag belopen en een EU-medefinanciering van 75%. De nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, mogen ook gebruik maken van dit mechanisme.
2.1.5. Randvoorwaarden van de steun
Het integraal storten van rechtstreekse steunbedragen wordt voortaan afhankelijk gesteld van de inachtneming van de beheersvoorschriften inzake voedselveiligheid, milieu, gezondheid van dieren en planten en dierenwelzijn alsmede van de vereiste alle landbouwgrond in goede landbouw- en milieuconditie te handhaven. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat een bepaald percentage van de grond die voor blijvend grasland wordt gebruikt, ook deze bestemming houdt. In de oude lidstaten zijn de beheersvoorschriften vanaf 2005 over een periode van drie jaar geleidelijk in de randvoorwaarden verwerkt. In de nieuwe lidstaten worden de beheersvoorschriften over een periode van vier jaar en uiterlijk vanaf 2009 in de randvoorwaarden verwerkt, met uitzondering van Bulgarije en Roemenië, waar de periode van geleidelijke invoering uiterlijk in 2012 aanvangt. De minimumeisen inzake goede landbouw en milieucondities worden op nationaal of regionaal niveau vastgesteld door de lidstaten en zijn onmiddellijk van toepassing in alle lidstaten.
2.1.6. Modulatie van de steun
Extra steunmaatregelen ten gunste van de plattelandsontwikkeling worden gefinancierd door middel van de overheveling van de 1e pijler naar de 2e pijler van de middelen die als gevolg van de toepassing van de verplichte modulatie van de rechtstreekse steun zijn vrijgekomen. De verplichte basismodulatie bestaat in de jaarlijkse overheveling van een bepaald percentage van het steunbedrag dat per landbouwbedrijf en per jaar meer dan 5000 euro bedraagt. Het percentage is van 3% in 2005 gestegen naar 5% in 2007. Na de health check van het GLB werd beslist het modulatiepercentage vanaf 2009 geleidelijk te verhogen tot 10% in 2012 en vanaf 2009 een aanvullende modulatie van 4% verplicht te maken voor grote landbouwbedrijven die meer dan 300.000 euro per jaar ontvangen. De lidstaten mogen de middelen die vrijkomen door de toepassing van dit mechanisme gebruiken om de nieuwe uitdagingen in de landbouwsector aan te gaan (3.3).
De ultraperifere regio's zijn vrijgesteld van de verplichte modulatie. In de nieuwe lidstaten (EU-12) geldt deze alleen vanaf het tijdstip dat de rechtstreekse betalingen er het niveau hebben bereikt van de rechtstreekse betalingen die van toepassing zijn op de oude lidstaten (EU-15), rekening houdend met elke vermindering in het kader van de verplichte modulatie.
Ook is het zo dat de Raad in maart 2007 zijn goedkeuring hechtte aan een stelsel van vrijwillige modulatie. Deze regeling die voortvloeit uit het akkoord van de Europese Raad van december 2005 over de financiële vooruitzichten 2007-2013 geeft de lidstaten die zulks wensen, de toestemming om tot 20% van de rechtstreekse steun over te hevelen naar de programma's voor plattelandsontwikkeling. Dit stelsel wordt alleen in het Verenigd Koninkrijk en Portugal toegepast.
2.1.7. Marktondersteuning
De marktondersteuning die met de hervorming in 1992 en later met de hervormingen van 1999 en 2003 gestaag was verminderd, is na de health check van het GLB in 2008 nog afgenomen.
Er kwam een eind aan de braaklegging van 10% van het akkerland die was opgelegd om de productie in te perken.
Voor zachte tarwe is de hoeveelheid die via interventie wordt aangekocht voortaan beperkt tot 3 miljoen ton per interventieperiode. Zodra die hoeveelheid is bereikt, kan de Commissie beslissen om verder te gaan met de interventie door middel van aanbestedingen. Voor andere granen (harde tarwe, gerst, maïs en sorghum) en padie, werd de mogelijkheid van interventieaankopen slechts aangehouden als vangnet. Daarom werd het aankoopmaximum op nul gebracht. Indien de marktsituatie zulks rechtvaardigt, kan de Commissie beslissen interventie toe te passen door middel van aanbestedingen. Rogge is sinds de hervorming van 2003 uitgesloten van de interventieregeling.
Ingevolge de health check van het GLB wordt de mogelijkheid tot interventieaankopen voor varkensvlees afgeschaft.
In de zuivelsector voorzag de hervorming van 2003 in een geleidelijke vermindering van de interventieprijs voor boter (daling met 15% sinds 2006) en voor mager melkpoeder (daling met 25% sinds 2007). Het maximum voor de interventieaankopen bleef gehandhaafd op 109.000 ton voor mager melkpoeder. Ook voor boter werd het maximum geleidelijk teruggebracht. Sinds 2008 is het vastgelegd op 30.000 ton. Wanneer deze hoeveelheden worden overschreden kunnen nog openbare aankopen plaatshebben door middel van aanbestedingen en voor zover de Commissie het nodig acht. Deze bepalingen zijn niet gewijzigd door de health check van het GLB en ook de steun voor particuliere opslag blijft verplicht.
Om de daling van de interventieprijzen in de zuivelsector enigszins op te vangen, werd met de hervorming van 2003 een zuivelpremie ingevoerd. Deze premie maakt sinds 2007 deel uit van de bedrijfstoeslagregeling.
Met de hervorming van 2003 blijft de melkquotaregeling tot het verkoopseizoen 2014/2015 behouden en mogen de quota pas vanaf april 2008 met 2% worden verhoogd. Om de overgang naar de opheffing van de quota vanaf april 2015 naadloos te laten verlopen, worden de quota overeenkomstig de health check van het GLB tussen 2009 en 2013 met 5% verhoogd a rato van 1% per jaar en wordt voor vetten de correctiefactor bijgesteld. Voor België komt dit neer op een extra stijging van de quota met 3,4%. Om ervoor te zorgen dat in alle lidstaten de quotaverhogingen een gecontroleerde en soepele overgang mogelijk maken, moeten de landbouwers die in de verkoopseizoenen 2009/2010 en 2010/2011 de quota met meer dan 6% overschrijden, een extra heffing betalen van 50% bovenop de gewone heffing.
2.2. De hervormingen tussen 2005 en 2007
2.2.1. De suikersector (2005)
De Raad bereikte op 24 november 2005 met gekwalificeerde meerderheid een politiek akkoord over een diepgaande hervorming van de Europese suikerregeling. Deze hervorming was noodzakelijk voor het evenwicht van de voorzieningsbalans van suiker van de Europese Unie, rekening houdend met de concessies verleend aan de minst ontwikkelde landen (MOL) in het kader van het "Alles behalve wapens"- initiatief, de lopende onderhandelingen in de WTO (Doha- ronde) en de uitspraak van de WTO van april 2005 met betrekking tot de suikeruitvoer (veroordelingen voor het overschrijden van de toegelaten maxima inzake uitvoerrestituties en voor de gekruiste subsidies voor "C-suiker").
In het kader van deze hervorming wordt vrijwillig afstand gedaan van 6 miljoen ton quota over een periode van vier jaar tussen 2006/2007 en 2009/2010.
De nieuwe regeling, inclusief de verlenging van de quotaregeling, is in werking getreden in juli 2006 en is geldig tot 2014/2015.
De hervorming had een ingrijpend effect op de gemeenschappelijke marktordening voor suiker en leidde tot nieuwe steunmaatregelen voor de producenten. De hervorming is opgezet rond een tijdelijke herstructureringsregeling voor de suikersector, om de minder rendabele bedrijven ertoe te overhalen hun activiteit stop te zetten of in te krimpen.
Wat de marktondersteuning betreft, blijft de interventieregeling gedurende vier jaar gehandhaafd maar de gegarandeerde prijs daalt geleidelijk en zal vanaf 2009/2010 36% lager liggen. De minimumprijs voor suikerbieten daalt evenredig. Na deze periode wordt alleen nog steun voor particuliere opslag gegeven die bedoeld is als vangnet. Verder worden door de hervorming de A- en B-quota samengebracht in één quotum. Suiker voor de chemische en farmaceutische industrie en suiker voor de productie van bio-ethanol valt buiten het quotum.
De inkrimping van de marktondersteuning werd gecompenseerd door een inkomenssteun voor de landbouwers. Deze ontkoppelde steun die wordt opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling, zou 64,2% van de verliezen moeten dekken. In die lidstaten die ten minste 50% van hun quotum inleveren, kan gedurende maximaal vijf opeenvolgende jaren aanvullende gekoppelde steun worden verleend die neerkomt op 30% van het inkomensverlies. In de loop van die vijf jaren kunnen de betrokken lidstaten ook een beperkte nationale steun verlenen aan de bietentelers.
De herstructureringsregeling die vier jaar (2006/2007 tot 2009/2010) van toepassing is voor suikerfabrieken en producenten van isoglucose en inulinestroop in de Europese Unie, behelst steun om de sluiting van bedrijven en het opgeven van productiequota in de minst competitieve regio's aan te moedigen en een steun voor de telers en loonwerkbedrijven. Te dien einde werd een tijdelijk herstructureringsfonds in het leven geroepen. Het wordt gefinancierd met een bijdrage van de houders van zoetstofquota tijdens de drie eerste jaar van de hervorming. De bedrijfssteun heeft een degressief verloop in de tijd opdat de bedrijven hun beslissing om afstand te doen van de quota niet zouden uitstellen. De steun is hoger indien de fabriek volledig wordt gesloten dan in geval van een gedeeltelijke ontmanteling. De steun is het laagst indien alleen afstand wordt gedaan van de productiequota.
Aanvankelijk had de hervorming niet het verhoopte resultaat omdat tegen half 2007 van slechts 2,2 miljoen ton quotum afstand was gedaan. Daarom werd de herstructureringsregeling in oktober 2007 gewijzigd om ze aantrekkelijker te maken voor de ondernemingen en de telers. In maart 2009 bedroeg de hoeveelheid quota waarvan afstand was gedaan 5,8 miljoen ton, nagenoeg de hoeveelheid die voor het seizoen 2009/2010 was vooropgesteld.
Sinds de hervorming wordt nog in 18 lidstaten suiker geproduceerd in plaats van in 23. De Europese Unie die vroeger de tweede grootste exporteur van suiker was, is nu de tweede grootste importeur geworden.
2.2.2. De bananensector (2006)
De interne aspecten van de gemeenschappelijke marktordening in de bananensector werden in november 2006 besproken door de Raad en zonder debat in december 2006 goedgekeurd. Als gevolg van deze hervorming wordt de compenserende steunregeling ten gunste van de bananenproducenten vervangen door een steunregeling die meer is toegespitst op de bijzonderheden van elke productieregio en die beter is afgestemd op de basisbeginselen van het hervormde GLB. Deze hervorming draagt ook bij tot de voorzienbaarheid en stabilisatie van de uitgaven in de sector, wat met de huidige regeling niet het geval was.
Een financiële enveloppe van 280 miljoen euro per jaar die gebaseerd is op het gemiddelde van de van 2000 tot 2002 toegekende steun, wordt overgeheveld naar de POSEI-programma's die speciaal zijn ontworpen voor de ultraperifere regio's (Canarische Eilanden, Guadeloupe, Martinique, Madeira en de Azoren). In de continentale regio's (Portugal, Griekenland en Cyprus) wordt de steun aan de sector voortaan verwerkt in de bedrijfstoeslagregeling. Deze hervorming trad op 1 januari 2007 in werking.
2.2.3. De hervorming van de sector groenten en fruit (2007)
Op 12 juni 2007 bereikte de Raad met eenparigheid van stemmen een akkoord over de hervorming van de gemeenschappelijke marktordening in de sectoren verse en verwerkte groenten en fruit. Deze gemeenschappelijke marktordening trad in werking op 1 januari 2008.
De hervorming beoogt in de eerste plaats de versterking van de producentenorganisaties. Om deze aantrekkelijker te maken werden de voorwaarden voor de erkenning en de werking van deze organisaties vereenvoudigd en flexibeler gemaakt. Daarnaast steeg de communautaire medefinanciering van hun operationele programma's van 50% naar 60% in de lidstaten waarvan minder dan 20% van de productie door producentenorganisaties op de markt wordt gebracht.
Crisispreventie en crisisbeheer gebeuren vooral via de producentenorganisaties ten belope van maximum 33% van hun operationele middelen en worden voor 50% gefinancierd door het gemeenschapsbudget. De steun van de Gemeenschap blijft beperkt tot 4,1% van de totale waarde van de productie die door de producentenorganisatie op de markt wordt gebracht. Dit maximum kan worden opgetrokken tot 4,6% voor zover het overschot wordt aangewend voor crisisbeheer en crisispreventie.
Instrumenten van crisisbeheer en crisispreventie zijn: groen oogsten of niet oogsten, promotie en communicatie tijdens periodes van crisis, opleiding, oogstverzekering, steunmaatregelen om bankleningen af te sluiten en deelname in de administratiekosten voor de oprichting van onderlinge fondsen.
Voor al wat de producentenorganisaties uit de handel nemen wordt er, net als bij de instrumenten van crisisbeheer, een medefinanciering van 50% gehanteerd. Producten die evenwel uit de handel worden genomen om gratis te worden uitgedeeld op scholen, in ziekenhuizen en aan liefdadigheidsorganisaties, bijvoorbeeld, worden voor 100% gefinancierd door de Gemeenschap ten belope van maximum 5% van de productie die op de markt wordt gebracht door de producentenorganisaties.
In regio’s met weinig producentenorganisaties, kunnen de lidstaten drie jaar lang staatssteun toekennen om de maatregelen inzake crisisbeheer en crisispreventie uit te breiden tot de onafhankelijke producenten die een contract hebben aangegaan met een producentenorganisatie. Deze financiële bijstand is evenwel beperkt tot 75% van de steun die gestort wordt aan de producenten die lid zijn van een producentenorganisatie.
Gronden die worden gebruikt voor het telen van groenten en fruit alsmede van consumptieaardappelen komen voortaan in aanmerking voor de bedrijfstoeslagregeling. De lidstaten die dit wensen, hebben dan wel de mogelijkheid de toeslag die op deze teelten van toepassing is ten hoogste drie jaar, tot 31 december 2010, uit te stellen.
Steunmaatregelen voor de voor verwerking bestemde producten worden ontkoppeld maar een gedeeltelijke ontkoppeling wordt nog toegestaan tot eind 2011 voor tomaten en tot eind 2012 voor boomgaarden (pruimen, perziken en peren). Ingevolge de health check van het GLB mogen de betrokken lidstaten nu ook beslissen om vanaf 2010 deze overgangsbetalingen in de bedrijfstoeslagregeling op te nemen.
De hervorming voert specifieke maatregelen in ten aanzien van de nieuwe lidstaten. Zo wordt in bepaalde lidstaten gedurende een overgangsperiode een rechtstreekse communautaire steun van 230 euro/ha verleend aan de producenten van voor verwerking bestemde aardbeien en frambozen. Voornoemde lidstaten hebben bovendien de toelating om een nationaal aanvullend bedrag te storten op voorwaarde dat het totale steunbedrag niet meer bedraagt dan 400 euro/ha. Ook is het zo dat de nieuwe lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling hanteren, hun nationale enveloppe mogen aanspreken om een aparte betaling te doen aan hun traditionele producenten van groenten en fruit.
Dat de sector groenten en fruit die nu is opgenomen in de bedrijfstoeslagregeling onderworpen is aan de randvoorwaarden voor het toekennen van steun, is een goede zaak voor het milieu. Ten minste 10% van de uitgaven van de operationele programma's wordt besteed aan milieumaatregelen en er werd een medefinanciering van 60% ingesteld voor de uitgaven van de operationele programma's ten gunste van de biologische productie.
Om de consumptie van fruit en groenten aan te moedigen, kan worden overwogen acties voor de promotie van deze producten op te nemen in de operationele programma's van de producentenorganisaties. Zijn deze acties afgestemd op schoolkinderen, dan wordt de communautaire medefinanciering opgevoerd tot 60%.
Om zwaarlijvigheid bij schoolkinderen tegen te gaan, bereikte de Raad op 19 november 2008 een politiek akkoord over de communautaire medefinanciering van programma’s voor de bedeling van fruit en groenten op school vanaf schooljaar 2009/2010. De subsidie bedraagt 90 miljoen euro per schooljaar en is beperkt tot 50% van de kosten (75% in regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen).
2.2.4. De wijnbouwsector (2007)
De Raad bereikte op 17 december 2007 met gekwalificeerde meerderheid een akkoord over de hervorming van de wijnbouwsector.
De sector was aan een hervorming toe omdat de EU kampte met structurele productieoverschotten. Deze waren toe te schrijven aan de aanhoudende daling van het wijnverbruik in de EU in de voorbije decennia en aan de wijnexport vanuit de lidstaten die sinds 1996 veel minder snel toeneemt dan de import van wijnen uit de "nieuwe wereld".
Het doel van de hervorming is aanbod en vraag in evenwicht te brengen, opnieuw de vroegere markten te veroveren en nieuwe afzetgebieden te vinden. Een en ander dient wel te gebeuren met inachtneming van de Europese wijnbouwtraditie, het sociale weefsel van de plattelandsgebieden en het milieu.
Wat het beheer van het productiepotentieel betreft is een nieuwe rooiregeling ingevoerd die vanaf het seizoen 2008/2009 drie jaar lang wordt toegepast. Het verbod op nieuwe aanplant geldt, op bijzondere gevallen na, tot 31 december 2015. De lidstaten mogen evenwel beslissen om het verbod tot uiterlijk 31 december 2018 te handhaven.
De premie voor telers die vrijwillig hun wijngaard geheel of gedeeltelijk rooien, wordt degressief toegekend over de drie jaar dat de regeling van toepassing is. Ze mag worden aangevuld met een nationaal steunbedrag ten belope van 75% van de reeds toegekende premie. Het totaalbedrag uit de Europese begroting dat de lidstaten krijgen voor de toekenning van rooipremies dekt de terugtrekking uit de productie van 175.000 ha over drie jaar.
Om de specifieke steunmaatregelen voor de wijnbouw te financieren ontvangt elke lidstaat ook nog een nationale enveloppe in verhouding tot zijn historische aandeel in het Europese wijnbudget en afhankelijk van het eigen wijnbouwareaal en de eigen wijnproductie.
De subsidiabele maatregelen voor financiering vanuit een nationale enveloppe hebben tot doel: inkomenssteun voor wijnbouwers uit hoofde van de bedrijfstoeslagregeling (maximum 350 euro/hectare voor wijnbouwers die de rooiregeling hebben toegepast en mogelijkheid om een specifieke premie toe te kennen aan bepaalde wijnbouwers op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria), verbetering van het concurrentievermogen in de sector (bevordering van de afzet op de markten van derde landen, herstructurering en omschakeling van wijngaarden, verbetering van de totale prestatie van de onderneming), voorkomen en beheren van marktcrises (groen oogsten, onderlinge fondsen) en het beheer van klimaat- en gezondheidsrisico's (oogstverzekering). Voor de distillatie van bijproductie mag nog steun worden verstrekt. Voor de distillatie tot drinkalcohol, voor crisisdistillatie en voor het gebruik van geconcentreerde druivenmost om het alcoholgehalte te verhogen mag slechts tot 31 juli 2012 steun worden gegeven.
Een deel van de steun die voorheen werd verstrekt voor marktregulerende maatregelen wordt overgeheveld naar het fonds voor plattelandsontwikkeling ten gunste van wijnbouwzones. Deze maatregel geldt in het bijzonder Spanje, Frankrijk en Italië.
Inzake de etikettering is de belangrijkste verandering de mogelijkheid om op tafelwijn een wijnjaar en het druivenras te vermelden. Tot nu toe mochten deze vermeldingen alleen voorkomen op landwijnen en wijnen met oorsprongsbenaming.
Wat de oenologische procédés betreft, is chaptalisatie (toevoeging van suiker aan de most) verder toegelaten behalve in de Zuid-Europese landen (Italië, Griekenland, Spanje, Portugal en Cyprus) en in een aantal Franse departementen, tenzij de Franse overheid uitzonderlijk toelating verleent. Het huidige percentage dat, afhankelijk van de productiezone, is toegelaten wordt vanaf 2009/2010 verminderd met 0,5%. Voor zover de Commissie toestemming verleent, mag het ook met 0,5 worden verhoogd, in geval van te weinig zonneschijn.
In dit dossier heeft België vooral een pleidooi gehouden voor het recht om te chaptaliseren. Dit is immers een procédé dat vooral in landen met zwakke zonneschijn wordt toegepast. Bovendien zorgt het voor een belangrijke afzetmarkt voor de suikersector.
De hervorming is van toepassing sinds 1 augustus 2008 met uitzondering van de rooiregeling (30 juni 2008) en van een aantal bepalingen inzake etikettering en oenologische procédés (1 augustus 2009).
3. Plattelandsontwikkeling
3.1. De maatregelen van juni 2003
In het kader van de hervorming van het GLB van juni 2003 zijn nieuwe steunmaatregelen voor de plattelandsontwikkeling van kracht. Ze gaan vergezeld van een aanzienlijke stijging van de communautaire steun met de middelen die vrijkomen door de modulatie. Deze maatregelen die sinds 2005 van toepassing zijn, beantwoorden aan de verwachtingen van de samenleving op het gebied van voedselveiligheid en -kwaliteit, milieubescherming en dierenwelzijn. Verder betekenen ze ook een nieuwe bron van inkomsten voor de landbouwers die landbouwmilieumaatregelen uitvoeren en kwaliteitsproducten op de markt brengen.
Landbouwers kunnen aanspraak maken op steun wanneer zij meewerken aan programma's die een verbetering van de kwaliteit van landbouwproducten en productieprocessen ten doel hebben. Deze programma's betreffen met name de biologische producten en de door geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen beschermde producten.
Nieuwe steunmaatregelen werden vastgelegd om de landbouwers te helpen zich aan te passen aan de invoering van de strenge communautaire voorschriften die nog niet in de nationale wetgeving zijn opgenomen en die betrekking hebben op het milieu, de volksgezondheid, de gezondheid van dieren en planten en het dierenwelzijn.
Landbouwers die de verbintenis aangaan voorschriften na te leven die verder reiken dan de wettelijke voorschriften, kunnen rekenen op aanvullende steunmaatregelen die de bescherming van het milieu, het natuurbehoud dan wel de verbetering van het dierenwelzijn beogen.
Dan zijn er nog twee maatregelen om jonge landbouwers te steunen. Voor zover aan bepaalde voorwaarden is voldaan, stijgt de maximuminstallatiepremie van 25.000 naar 30.000 euro per bedrijf. Ook de communautaire bijdrage voor investeringen met het oog op bedrijfsmodernisering werd opgetrokken.
3.2. De nieuwe verordening voor de periode 2007-2013
De nieuwe verordening voor de steun aan de plattelandsontwikkeling werd door de Raad eenparig goedgekeurd op 20 juni 2005. De verordening bundelt de bestaande maatregelen en de nieuwe maatregelen volgens drie assen die overeenstemmen met de voornaamste politieke doelstellingen. De horizontale as Leader wordt toegevoegd. De as bestaat uit een geïntegreerde benadering van de plattelandsontwikkeling op een territoriale basis, die berust op de actieve deelname van de verschillende plattelandsactoren en die zich uitstrekt over de eerste drie assen.
As I is toegespitst op het verbeteren van het concurrentievermogen van de land- en bosbouw door de verbetering van het menselijke potentieel, de herstructurering van het fysieke potentieel en de verbetering van de kwaliteit van de productie en de producten. As II, milieu en landbeheer, heeft betrekking op het duurzaam gebruik van de land- en bosbouwgronden. As III behelst de diversificatie van de landbouweconomie en een verbetering van de levenskwaliteit.
Om zeker te stellen dat de doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling op evenwichtige wijze worden meegewogen, moeten de nationale programma's voorzien in een minimale communautaire financiële bijdrage voor elke as. Deze bedraagt 10% van de totale communautaire financiële bijdrage voor de assen I en III, en 25% voor as II. De horizontale as Leader krijgt 5%.
De nieuwe verordening hanteert het beginsel van randvoorwaarden, dat bij de hervorming van 2003 werd ingevoerd voor de rechtstreekse steun, ook voor bepaalde maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling, meer bepaald maatregelen die verband houden met as II.
De maximumsteun voor de vestiging van jonge landbouwers werd verhoogd tot 55.000 euro per bedrijf.
3.3. De aanpassingen van 2008 en 2009
Het politiek akkoord van 20 november 2008 inzake de health check van het GLB vormt de grondslag van nieuwe maatregelen om de voor de landbouwsector nieuwe uitdagingen aan te gaan zoals klimaatverandering, hernieuwbare energie, waterbeheer, biodiversiteit, de innovatie die met deze uitdagingen gepaard gaat en de herstructurering van de zuivelsector. Voor de medefinanciering van deze maatregelen worden aanvullende bedragen gebruikt die afkomstig zijn uit de stijging van de modulatie ten belope van 75% (90 % voor convergentieregio's).
Om de vestiging van jonge landbouwers aan te moedigen werd de maximuminstallatiepremie van 55.000 euro opnieuw opgetrokken tot 70.000 euro per bedrijf.
De laatste belangrijke wijziging van de verordening ter ondersteuning van de plattelandsontwikkeling ligt in de lijn van het akkoord dat de Europese Raad in maart 2009 bereikte inzake het Europees economisch herstelplan. De nieuwe maatregel die krachtens de op 25 mei 2009 goedgekeurde wijziging werd aangenomen, betreft de ontwikkeling van de breedbandinfrastructuur in plattelandsgebieden.
4. De financiering van het GLB
De Raad bereikte op 30 mei 2005 een akkoord over een ontwerp-verordening die een nieuw kader voor de financiering van het GLB creëert. De financiering, die voorheen door het EOGFL (Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw) werd verzekerd, komt vanaf 1 januari 2007 ten laste van twee nieuwe fondsen: het ELGF (Europees Landbouwgarantiefonds) voor marktuitgaven en rechtstreekse steun (1e pijler) en het ELFPO (Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling) voor de maatregelen inzake plattelandsontwikkeling (2e pijler). Deze nieuwe verordening behelst een aanzienlijke vereenvoudiging van de financiële voorschriften en versterkt het beheer en de financiële controle.
De vastleggingskredieten voor landbouw en plattelandsontwikkeling waren goed voor 40% van de EU-begroting voor 2011. De verdeling van deze kredieten ten bedrage van 57,2 miljard euro is als volgt : 70 % voor rechtstreekse steun (39,8 miljard euro), 5% voor marktsteun (3,0 miljard euro) en 25 % voor plattelandsontwikkeling (14,4 miljard euro).
