Gemeenschappelijk Visserijbeleid
Inleiding
Het beginsel van een Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) was reeds verankerd in het Verdrag van Rome dat de doelstellingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) vastlegde. Het Verdrag van Rome omschrijft landbouwproducten als “de voortbrengselen van bodem, veeteelt en visserij alsmede de producten in eerste graad van bewerking welke met de genoemde voortbrengselen rechtstreeks verband houden. “ Het GVB en het GLB beoogden dus hetzelfde: de productiviteit verhogen, de bevolking die in deze sectoren werkzaam is een degelijke levensstanddaard verzekeren, de markten stabiliseren, de voorziening veilig stellen en de producten tegen een redelijke prijs aan de consument aanbieden.
Bij de hervorming van het GVB in 1992 werden de oorspronkelijke doelstellingen bijgesteld om tegemoet te komen aan de dringende vereiste de visbestanden met het oog op een duurzame ontwikkeling in stand te houden.
Het gemeenschappelijke visserijbeleid is erop gericht te komen tot een exploitatie van de levende visbestanden die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt.
De eerste communautaire maatregelen dateren van 1970 met de invoering van een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en het uitstippelen van een structuurbeleid dat de modernisering beoogde van de vissersvaartuigen en de voorzieningen aan de wal. Het grondbeginsel dat in het Verdrag van Rome is verankerd inzake de vrije toegang tot de communautaire visserijzones kwam evenwel op de helling te staan tijdens de toetredingsonderhandelingen van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken. Zo verleent de Toetredingsakte van 1972 de lidstaten toestemming om voor hun eigen vissers een 6 tot 12 mijlszone te reserveren. Deze zone is evenwel ook nog steeds toegankelijk voor vissers die kunnen aanspraak maken op « historische rechten ». De tijdelijke regeling werd regelmatig verlengd en is nu nog steeds van toepassing. Vanaf 1983 werd voor alle lidstaten een 12 mijlszone toegestaan.
Het GVB heeft mettertijd een eigen identiteit aangenomen als gevolg van de toetreding tot de Europese Gemeenschap van landen met een grote vloot en omvangrijke visbestanden en om specifieke visserijvraagstukken op Europees niveau te regelen. Deze vraagstukken houden met name verband met de instandhouding en het beheer van de visbestanden alsmede met de internationale betrekkingen op visserijgebied. Deze vraagstukken namen in omvang toe toen de lidstaten, om gelijke tred te houden met de internationale ontwikkelingen, besloten hun visserijzone vanaf 1 januari 1977 uit te breiden tot 200 mijl (exclusieve economische zone – EEZ).
Na moeizame onderhandelingen die acht jaar aansleepten, zag het gemeenschappelijk visserijbeleid van de nieuwe generatie in 1983 het licht. Een verordering tot invoering van een gemeenschappelijke regeling inzake de instandhouding en het beheer van de visbestanden werd goedgekeurd.
De verordening van 1983 voorziet in een geheel van maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden. Voor elke vissoort of groep vissoorten kunnen deze maatregelen de volgende punten regelen: vaststelling van de gebieden waar de visserij verboden of beperkt is, vaststelling van normen inzake vistuig, vaststelling van een minimummaat of minimumgewicht per soort en vaststellling van de toegestane vangsten. De toegestane vangsten werden bepaald aan de hand van de geleidelijk ingevoerde totale toegestane vangsten (TAC’s) per bestand of per groep bestanden. De verordening stelt ook een gemeenschappelijk vergunningssysteem in om de biologisch gevoelige vissoorten in het gebied rond de Shetlandarchipel te beschermen.
In 1992 wordt de verordening van 1983 herzien en vervangen door een verordening tot invoering van een gemeenschappelijke regeling voor de visserij en de aquacultuur. Deze nieuwe verordening behoudt de krachtlijnen van het vorige visserijbeleid maar voert tevens geleidelijk nieuwe maatregelen in die de rationele en verantwoordelijke exploitatie van de visbestanden op duurzame basis beogen, omdat sommige visbestanden aanzienlijk zijnafgenomen. Tot deze nieuwe maatregelen moeten worden gerekend: de herstructurering van de sector met het oog op het bewerkstelligen van een evenwicht tussen de vangcapaciteit van de EU-vissersvloot, de vangstmogelijkheden, de verplichte instelling van nationale visvergunningstelsels en de instelling van een nieuw communautair controlemechanisme.
Eind jaren negentig is evenwel gebleken dat het GVB niet voldoende doeltreffend was om de visbestanden in stand te houden, het mariene milieu te beschermen, de economische leefbaarheid van de Europese vloten te garanderen en om de visvoorziening van de Europese markt te verbeteren. In 2002 moest dus een en ander opnieuw worden bekeken. Een nieuwe verordening inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden kreeg gestalte en kwam in de plaats van de verordening van 1992.
De verordening van 2002 geeft de voorkeur aan een beheer van de vangstmogelijkheden op langere termijn. Ze voorziet in het opstellen van meerjarenplannen voor het herstel of het beheer van sommige visbestanden. Daarnaast voert ze, bij gebrek aan relevante wetenschappelijke gegevens, het voorzorgsbeginsel in voor het bepalen van de vangstmogelijkheden.
De verordening van 2002 versterkt ook de richtlijn van 1992 inzake de inkrimping van de communautaire vloot teneinde deze op de beschikbare visbestanden af te stemmen. Middels de oprichting van regionale adviesraden (RAR’s) voorziet de verordening van 2002 eveneens in een betere controle op de GVB-regels en een grotere participatie van vissers en andere stakeholders aan het beheer op GVB-gebied.
Hoewel binnen het bestaande kader nog tal van maatregelen moeten worden genomen om het visserijbeleid meer kracht bij te zetten, is er andermaal een volledige herziening van het GVB op til. Deze herziening werd reeds ingezet in april 2009 met de presentatie van het Groenboek van de Commissie over de hervorming van het GVB. Er mag van worden uitgegaan dat deze hervorming aanleiding zal geven tot nieuwe maatregelen die met ingang van 2012 van toepassing zijn.
Instandhouding en beheer van de visbestanden
Bescherming van het mariene milieu
Structuurbeleid en Europees Fonds voor de visserij
Gemeenschappelijke marktordening
Controle op en toepassing van de wetgeving
Instandhouding en beheer van de visbestanden
De Raad keurt jaarlijks drie verordeningen voor het daaropvolgende jaar goed. Deze verordeningen bepalen de vangstmogelijkheden en de voorwaarden die aan de exploitatie ervan voor sommige visbestanden en groepen visbestanden verbonden zijn.
Over de twee verordeningen inzake respectievelijk de Baltische Zee en de Zwarte Zee wordt doorgaans in oktober een politiek akkoord gesloten.
Het politieke akkoord over de verordening inzake de andere visserijgebieden wordt meestal in december gesloten. Het geldt voor alle schepen, ook die van derde landen, die in de communautaire wateren actief zijn en voor de communautaire schepen die in niet-communautaire wateren actief zijn en onderworpen zijn aan vangstbeperkingen. Het bevat de conclusies van het overleg met Noorwegen, de Faroereilanden, Groenland en Ijsland (wanneer het overleg niet tijdig kan worden afgerond, wordt de verordening op een later tijdstip gewijzigd). De voornoemde verordening bevat ook de vangstbeperkingen die werden overeengekomen in het kader van de regionale visserijorganisaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor de rode tonijn in het oostelijk gedeelte van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee. Het desbetreffende meerjarig herstelplan (2009) zet de besluiten van de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan (ICCAT) om in communautaire wetgeving.
Sinds 2002 bepaalt een vierde verordening om de twee jaar eveneens de vangstmogelijkheden voor communautaire schepen in de diepe wateren.
De besluiten van de Raad worden genomen op basis van een voorstel van de Commissie dat rekening houdt met het overleg dat gevoerd werd met de belanghebbende groepen. Deze zijn ondergebracht in de Regionale Adviesgroepen (RAR’s) en in het Raadgevend Comité voor de visserij en de aquacultuur (RCVA). Daarnaast houden ze ook rekening met de adviezen van de wetenschappers van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en met de adviezen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV).
De vangstmogelijkheden worden bepaald aan de hand van de totale toegestane vangsten (TAC’s) berekend per vissoort of groepen vissoorten, per visserijgebied en per visserij-inspanning, doorgaans uitgedrukt in het aantal dagen op zee dat voor elke type vaartuig is toegestaan. Is de beperking van de toegestane hoeveelheid en van de visserij-inspanning ontoereikend voor de instandhouding van de visbestanden, dan kunnen de vangstmogelijkheden vergezeld gaan van extra technische maatregelen zoals de maasbreedte van de visnetten, het gebruik van selectieve visvaartuigen, de afbakening van de visserijgebieden en van de sluitingsperiodes en de beperking tot een minimummaat bij aanvoer.
De TAC’s worden onder de lidstaten verdeeld in de vorm van quota. Er wordt een verdeelsleutel gehanteerd die het beginsel « relatieve stabiliteit » in acht neemt teneinde de visserijactiviteit in regio’s waar de bevolking in grote mate is aangewezen op de visserij en de daarmee verwante industrieën, op peil te houden. De lidstaten beheren de hen toegekende quota naar eigen goeddunken.
Sinds de hervorming van 2002 gaat de voorkeur van het GVB uit naar een beheer op langere termijn van de vangstmogelijkheden. Met het oog hierop worden meerjarige herstelplannen opgesteld voor de visbestanden die onder de biologische veiligheidsgrens zitten en worden ook, voor zover zulks nodig is, meerjarige beheersplannen opgesteld voor de andere visbestanden. De vangstbeperkingen en de andere bepalingen die in deze meerjarenplannen vervat zijn, worden verwerkt in de verordeningen inzake de vaststelling van de jaarlijkse vangstmogelijkheden.
De herstelplannen hebben betrekking op het noordelijke heekbestand (2004), verschillende kabeljauwbestanden (2004, herzien in 2008) en het zuidelijk heekbestand en kreeftenbestand (2005). De meerjarige beheersplannen hebben betrekking op het tongbestand in de Golf van Biskaje (2006) en in het westelijk Kanaal (2007), het kabeljauwbestand in de Baltische Zee (2007) en op het schol- en tongbestand in de Noordzee (2007).
Instandhouding van het mariene milieu
De visserijactiviteiten behelzen niet alleen de visbestanden (vis, schaaldieren en weekdieren). Het gebruik van vistuig kan een impact hebben op de vogels, de mariene zoogdieren en op reptielen (schildpadden). De visserijactiviteiten in diep water die de jongste jaren economisch interessant zijn geworden kunnen ook schadelijk zijn voor kwetsbare ecosystemen zoals het koudwaterkoraalrif.
Om het mariene milieu te beschermen neemt de Europese Unie een aantal maatregelen. Deze zijn van toepassing op de communautaire wateren, de communautaire vaartuigen die actief zijn in een gebied dat onder een regionale visserijorganisatie ressorteert en op de communautaire vaartuigen die actief zijn in open zee en niet onder het rechtsgebied van een regionale visserijorganisatie vallen.
Aquacultuur
Aangezien de visbestanden alsmaar afnemen kan de aquacultuur helpen tegemoet te komen aan de toenemende vraag van de Europese consumenten naar aquatische producten. De aquacultuur is als economische sector van groot belang in bepaalde kust- en continentale gebieden van de EU. De sector produceert zowel zoetwater- en zoutwatervis als schaal- en schelpdieren (voornamelijk mosselen, oesters, forel, karper, zeebrasem en zalm).
In 2002 presenteerde de Commissie een eerste Europese strategie voor een duurzame aquacultuur. Op basis hiervan kon grote vooruitgang worden geboekt inzake de leefbaarheid, de zekerheid en de kwaliteit van de visteeltproductie. Hoewel de visteeltproductie wereldwijd de jongste jaren gestaag is toegenomen, stagneerde ze evenwel in de EU.
In april 2009 ging er van de Commissie een mededeling uit om de Europese aquacultuur een nieuw elan te geven. Om de toekomst van deze sector veilig te stellen, formuleert de mededeling drie strategische doelstellingen : de verbetering van het concurrentievermogen (versterking van het onderzoek en van de technologische ontwikkeling, ruimteordening), het creëren van de voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling (aandacht in de visteelt voor de bescherming van het milieu, uitbouw van een zeer competitieve sector, bescherming van de consument) en een beter imago en beheer van de sector verbeteren (betere tenuitvoerlegging van de communautaire wetgeving, verlaging van de administratieve lasten en grotere participatie van de betrokken partijen).
Structuurbeleid en Europees Fonds voor de Visserij
Het structuurbeleid in de visserijsector wil de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid helpen verwezenlijken door de ontwikkeling van de structuren in deze sector bij te sturen en te beheren. Het financieel instrument voor dit beleid is het Europees Fonds voor de Visserij (EFV) dat op 1 januari 2007 in de plaats kwam van het Financieel Instrument voor de Oriëntatie van de Visserij (FIOV).
De door het EFV medegefinancierde maatregelen moeten helpen een evenwicht te bewerkstelligen tussen het visbestand en de vangstcapaciteit, ze moeten het mariene milieu beschermen en opwaarderen, de concurrentiekracht en de economische
leefbaarheid ondersteunen en de levenskwaliteit in de visserijgebieden verbeteren.
De vastleggingskredieten van het EFV voor 2009 bedroegen ongeveer 631 miljoen euro, waarvan 75 % bestemd is voor de regio’s die onder de convergentiedoelstelling vallen.
Externe betrekkingen
De EU sloot een groot aantal bilaterale visserijovereenkomsten met derde landen. De overeenkomsten met Noorwegen, Ijsland en de Faroereilanden voorzien niet in een financiële vergoeding maar wel in een gewone uitwisseling van quota. In de overeenkomsten met Groenland, daarentegen, alsmede in een groot aantal overeenkomsten met landen in Afrika en de Stille Oceaan is wel een financiële vergoeding vastgelegd voor de toegang tot hun visgronden. De overeenkomsten met deze landen zijn sinds de hervorming van 2002 uitgegroeid tot echte partnerschapsovereenkomsten op visserijgebied (POV’s) omdat ze hen helpen een duurzaam visserijbeleid uit te stippelen en omdat een aanzienlijk deel van de financiële vergoeding besteed wordt aan acties die gericht zijn op de uitbouw van de sector.
Om de duurzaamheid van de visbestanden in open zee veilig te stellen, sloot de Europese Unie een aantal internationale overeenkomsten. Deze zijn meer bepaald toegespitst op de instandhouding en het beheer van overlappende visbestanden die zich zowel binnen als buiten de exclusieve economische zones verplaatsen en van de sterk migrerende soorten.
De Europese Unie neemt ook nog deel aan de werkzaamheden van een aantal regionale visserijorganisaties (RVO’s) om gemeenschappelijke vraagstukken te regelen. De elf RVO’s waarbij de Europese Unie overeenkomstsluitende partij is, houden zich bezig met de visserij in de Atlantische Oceaan (7 RVO’s), de Middelandse Zee (1 RVO), de Indische Oceaan (1 RVO), de Stille Zuidzee (1 RVO) en Antarctica (1 RVO).
Gemeenschappelijke marktordening
De gemeenschappelijke marktordening (GMO) in de sector visserij- en aquacultuurproducten beschikt over meerdere instrumenten om een zekere prijsstabiliteit te verzekeren en correcte prijzen aan de producenten te garanderen.
De producentenorganisaties die op vrijwillige basis worden gevormd door vissers of viskwekers zijn een centraal gegeven van de GMO. In eerste instantie treden ze op om het aanbod op de vraag af te stemmen door een betere planning van de activiteiten aan te moedigen en door maatregelen te nemen die de kwaliteit van de producten en de afzet ten goede komen. In tweede instantie hanteren ze een aantal prijsondersteundende mechanismen. Wanneer marktstabiliseringsmaatregelen worden genomen, komen alleen de leden van de producentenorganisaties in aanmerking voor steun.
De producenten kunnen aanspraak maken op een financiële vergoeding wanneer de producten definitief uit de markt worden genomen. Steun voor verkoopuitstel kan worden verleend wanneer de producten tijdelijk uit de markt worden genomen en na de verwerking en opslag opnieuw op de markt worden gebracht. Voor diepvriesproducten aan boord van de schepen kan een particuliere opslagsteun worden verleend omdat deze producten opnieuw op de markt worden gebracht zodra de prijzen weer voordelig zijn. Aan vissers van tonijn bestemd voor de verwerkende industrie, kan ten slotte een vergoeding worden toegekend om het ontbreken van een tarifaire bescherming van de invoer te compenseren.
De gemeenschappelijke marktordening voorziet eveneens in een uitwisselingsregeling met de derde landen waardoor de verwerkende industrie op stabiele wijze tegen competitieve prijzen kan worden bevoorraad.
Controle op en toepassing van de wetgeving
De instandhouding en het beheer van de visbestanden zijn een essentiële component van het GVB en ze vereisen de daadwerkelijke toepassing van een groot aantal regels. De lidstaten en de Commissie controleren of deze regels goed worden toegepast. Zo dat niet het geval is, worden sancties opgelegd. Om de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten inzake controle en inspectie van de visserij te organiseren, werd in 2005 gestalte gegeven aan het Communautair Agentschap voor visserijcontrole (CAVC), dat in Vigo (Spanje) gevestigd is.
Het huidige controlestelsel rust op de verordeningen die voortvloeiden uit de hervorming van 1992 en die van 2002 alsmede op een groot aantal nieuwe bepalingen die her en der in verschillende andere verordeningen zijn opgenomen. Er wordt in het algemeen geoordeeld dat het huidige controlestelsel ingewikkeld, kostelijk en vooral ontoereikend is om de toekomst van de visbestanden veilig te stellen. Vanaf 1 januari 2010 wordt een nieuwe verordening van kracht.
Deze nieuwe verordening is een aanvulling op de verordening van 2008 tot instelling van een communautair stelstel dat ten doel heeft de illegale, niet-aangegeven en niet- gereglementeerde visvangst te voorkomen, te ontmoedigen en uit te roeien.
Zeevisserij in België
Begin 2009 telde de Belgische vloot een honderdtal schepen die meestal boomkorren gebruiken die geschikt zijn voor de vangst van platvis.
Deze zijn vooral actief in visserijgebieden in de Noordzee en in het oostelijk Kanaal en de Ierse Zee alsmede in de Keltische Zee en het Kanaal van Bristol. Ongeveer 10 % van deze vangst wordt aangevoerd in buitenlandse havens, voornamelijk in Nederland.
En 2007 bestond de totale aanvoer voor meer dan de helft uit schol (24 %), tong (18 %) en rog (9 %). Kabeljauw en tongschar waren goed voor respectievelijk 5 % en 4 %. Uitgedrukt in marktwaarde heeft tong een grote voorsprong op de andere vissoorten (ongeveer 50% van de totale aanvoer).
