Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
I. INLEIDING
Naar een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid
De Europese samenwerking op het gebied van van Justitie en Binnenlandse Zaken is relatief jong. Na enkele losse samenwerkingsverbanden, onder politiechefs bijvoorbeeld (de zogenaamde TREVI-groep), waren het vooral de Schengenovereenkomsten van 1985 en 1990 en de Europolconventie van 1999 die voor concrete afspraken zorgden. Pas in het Verdrag van Maastricht (1993) is er voor het eerst sprake van samenwerking inzake "justitie en binnenlandse zaken", en werd de zogenaamde "derde pijler" gecreëerd.
Deze samenwerking werd intenser met het Verdrag van Amsterdam (1999). Daar kreeg de Europese Unie als doel stap voor stap een "ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid" (“VVR”) te creëren. Dit betekent dat binnen deze ruimte de burgers zich vrij kunnen verplaatsen, in veiligheid leven, gelijke toegang hebben tot justitie en dat hun fundamentele vrijheden er worden nageleefd.
De Europese Raad heeft in oktober 1999 (in Tampere, Finland) besloten de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid als een van de prioriteiten van de Europese Unie aan te merken. Deze beslissing werd gezien als een noodzakelijk element om van een ware "Unie" te kunnen spreken”. De ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid werd door de Raad verder uitgewerkt in een meerjarenprogramma. Dit programma legde de richtsnoeren en de specifieke doelstellingen vast en ook een tijdschema voor de uitvoering in de periode 1999- 2004.
Op de Europese Raad van november 2004 werd een nieuw meerjarenprogramma 2005-2010 goedgekeurd, het zogenaamde Programma van Den Haag. Daarop volgde het Programma van Stockholm dat de huidige periode (2010-2014) bestrijkt.
Domeinen waarop het Programma van Stockholm van toepassing is
Met de goedkeuring van het Programma van Stockholm stelt de Europese Raad dat hij in de toekomst de belangen en de noden van de burgers als een prioriteit beschouwt, «met inachtneming van de fundamentele vrijheden en de integriteit, zonder de veiligheid in Europa uit het oog te verliezen » .
De ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid omvat de volgende gebieden (cfr. politieke prioriteiten zoals vastgelegd in het Programma van Stockholm :
1. bevordering van het burgerschap en van de fundamentele rechten
2. totstandbrenging van een Europese ruimte van recht en justitie
3. ontwikkeling van een Europa dat bescherming biedt (uitbouw van een strategie voor interne veiligheid)
4. toegang tot de Europese Unie in een geglobaliseerde wereld (visumbeleid en beheer van de buitengrenzen)
5. een Europa van verantwoordelijkheid, solidariteit en partnerschap in migratie- en asielaangelegenheden.
Besluitvorming
De beslissingen op het gebied van VVR worden door de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken genomen. Deze beslissingen worden door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers ("Coreper II") en door een aantal gespecialiseerde werkgroepen voorbereid.
II. INTERNATIONALE CONTEXT
Samenwerking, ook buiten de Europese Unie
De verwezenlijking van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is niet alleen een louter interne EU-aangelegenheid. Integendeel: de VVR-aangelegenheden betreffen ook direct onze buren en derde landen waarmee de Unie samenwerkingsovereenkomsten afsluit. Dit is duidelijk in het geval van migratie, maar het geldt ook voor tal van andere domeinen: fenomenen als terrorisme of georganiseerde criminaliteit kunnen niet door landen alleen aangepakt worden. Op het gebied van justitie en binnenlandse zaken vinden met bijv. de Balkanlanden, Noord-Afrika, Rusland en de Verenigde Staten intensieve contacten plaats. Deze aspecten worden nader toegelicht in hoofdstuk VIII.
III. INSTITUTIONELE CONTEXT
Nationale gevoeligheid
Dit onderwerp is gevoelig omdat justitie en binnenlandse zaken rechtstreeks verband houden met de veiligheid, de openbare orde en de nationale rechtssystemen. Eeuwenlang werden deze problemen aangepakt op nationaal niveau, wat de grote verschillen qua aanpak tussen de lidstaten verklaart. Deze hebben er dan ook maar schoorvoetend mee ingestemd een aantal delen van de VVR te “communautariseren” door eenparigheid van stemmen te vervangen door de gekwalificeerde meerderheid en door het Europees Parlement medebeslissingsbevoegdheid te geven.
Het Verdrag van Lissabon voorzag in een aantal belangrijke wijzigingen :
• De pijlerstructuur wordt afgeschaft en er komt een algemene invoering van de medebeslissingsprocedure met gekwalificeerde meerderheid - behoudens uitzonderingen.
• Een nauwere samenwerking met een beperkt aantal lidstaten op strafrechtelijk gebied wordt voortaan makkelijker.
• Het “opt-in”- en “opt-out”-systeem voor bepaalde lidstaten op het gebied van justitie en binnenlandse zaken wordt uitgebreid.
• Er is een grotere rol weggelegd voor de nationale parlementen (subsidiariteitsbeginsel).
De bepalingen over de VVR worden binnen het Verdrag over de Werking van de Unie onder één titel gebundeld. Deze bevat 5 hoofdstukken: (i) algemene bepalingen, (ii) beleid inzake grenscontroles, asiel en immigratie, (iii) justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, (iv) justitiële samenwerking in strafzaken en (v) politiële samenwerking.
IV. OPKOMEN VOOR DE RECHTEN VAN DE BURGER : EEN EUROPA VAN RECHTEN
Het programma van Stockholm voorziet in het versterken van de rechten van de burger op de volgende gebieden :
1. Een Europa dat stoelt op de fundamentele rechten
De Europese Unie zal snel toetreden tot het Europees Verdrag van de rechten van de mens. Hierover wordt onderhandeld tussen de EU en de Raad van Europa. Deze toetreding zal nog meer kracht zetten achter de verplichting van de Unie, en derhalve ook van de Europese instellingen, in alle actiegebieden actief op te komen voor de fundamentele rechten van de burger. Zulks is bevorderlijk voor de totstandkoming van een uniform Europees systeem van fundamentele rechten en rechten van de mens op basis van voornoemd verdrag en van de rechten die verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de EU, dat een van de belangrijkste verworvenheden van de jongste jaren is.
2. Volledige uitoefening van het recht op vrij verkeer
Het recht van de burgers en van hun gezinsleden op vrij verkeer binnen de Europese Unie is een van de grondbeginselen van de Unie en een fundamentele vrijheid die inherent is aan het Europees burgerschap. De burgers van de Unie hebben het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven, ze hebben stemrecht en kunnen zich verkiesbaar stellen bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar ze verblijven, ze kunnen aanspraak maken op bescherming door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van de andere lidstaten, enz..
Een betere samenwerking binnen de Schengenruimte en de uitbreiding van deze ruimte tot de Staten die aan de voorwaarden voldoen, staan hoog op de agenda van de Raad.
3. Samen leven in een ruimte waarin diversiteit wordt gerespecteerd en de zwaksten worden beschermd
De wetten of programma’s die de strijd aanbinden tegen racisme en xenofobie, die ijveren voor de bevordering van de rechten van het kind en andere kwetsbare groepen (met name de Roma) alsmede voor de rechten van slachtoffers van criminaliteit, met inbegrip van terrorisme, werden door de Europese Unie goedgekeurd en verder uitgediept.
4. De rechten van personen in strafrechtelijke procedures
De bescherming van de rechten van verdachten of van personen die worden vervolgd in het kader van een strafrechtelijke procedure, is een fundamentele waarde van de Europese Unie. Deze hechtte reeds haar goedkeuring aan een aantal nieuwe instrumenten en overweegt er nog meer (bijv. recht op een tolk en op informatie in strafprocedures zaken, recht op een advocaat, enz.).
5. Bescherming van de burger in de informatiemaatschappij
De Europese Unie beschikt over een uitgebreid wettelijk arsenaal om te voorzien in de bescherming van de persoonsgegevens van burgers. De Europese Commissie stelde in januari 2012 voorstellen voor met het oog op de herziening van het juridische kader in dit domein (met name richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens). De Raad is begonnen met het onderzoek van deze voorstellen.
6. Bescherming in de derde staten
Elke burger van de Europese Unie die zich in een derde land bevindt waar zijn eigen lidstaat geen vertegenwoordiging heeft, moet door de diplomatieke en consulaire autoriteiten van eender welke andere lidstaat worden beschermd, op dezelfde wijze als de onderdanen van die lidstaat.
V. HET LEVEN VAN DE BURGERS GEMAKKELIJKER MAKEN : EEN EUROPA VAN RECHT EN JUSTITIE
Op de vergadering van Tampere in 1999 verklaarde de Europese Raad dat een versterkte wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en vonnissen en de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgevingen, de samenwerking tussen de autoriteiten en de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu ten goede zouden komen. Hij heeft het beginsel van wederzijdse erkenning, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de Unie zou moeten worden in zowel burgerrechtelijke als strafzaken, onderschreven. Dit beginsel maakt voortaan integral deel uit van het verdrag.
De Europese Unie verdiept haar actie op de volgende gebieden, zoals vastgelegd in het Programma van Stockholm :
1. Verdere verwezenlijking van de wederzijdse erkenning
Op strafrechtelijk gebied wordt, na de goedkeuring van verschillende instrumenten zoals het Europees aanhoudingsbevel, verder werk gemaakt van de invoering van een alomvattend systeem voor bewijsverkrijging in grensoverschrijdende zaken op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning. Er werd een akkoord bereikt over een nieuwe richtlijn ter zake.
Het Verdrag van Lissabon en het programma van Stockholm roepen op om in de komende jaren werk te maken van een verdere uitbouw van Eurojust (een EU-orgaan met magistraten en procureurs dat in 2002 werd opgericht met als opdracht de gerechtelijke samenwerking te bevorderen). De verdere uitbouw van Eurojust zou vooral zijn toegespitst op het inleiden van strafonderzoeken, het regelen van bevoegdheidsconflicten en, op termijn, de oprichting van een Europees openbaar ministerie.
Wat het burgerlijk recht betreft, wordt het proces van de afschaffing van alle intermediaire maatregelen (exequatur) voortgezet. De herziening van de verordening van Brussel inzake de bevoegdheid, de erkenning en de uitvoering van beslissingen in burgerlijke en handelszaken is vermoedelijk binnenkort rond. Hierdoor zal het vrije verkeer van rechterlijke beslissingen gemakkelijker, sneller en minder kostelijk zijn voor de burgers. De verordening betreffende de totstandbrenging van nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (« Rome III ») werd goedgekeurd onder het Belgische voorzitterschap in 2010. Er wordt nu verder onderhandeld met het oog op de goedkeuring van een soortgelijke verordening inzake erfopvolging en testamenten.
2. Versterking van het wederzijdse vertrouwen
Om het wederzijdse vertrouwen van de Lidstaten in elkaars justitie te versterken, werden een aantal maatregelen genomen : opleiding van rechters, de ontwikkeling van netwerken, een betere beoordeling en betere elektronische hulpmiddelen.
3. Gemeenschappelijke minimumvoorschriften vaststellen
Om de wederzijdse erkenning van vonnissen en rechterlijke beslissingen en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken te bevorderen, kan de Unie gemeenschappelijke minimumvoorschriften vaststellen, met name betreffende de bepaling van strafbare feiten en strafrechtelijke sancties of nog de collisieregels en de afschaffing van het exequatur tussen de lidstaten voor rechterlijke beslissingen in burgerlijke zaken.
De Unie streeft ook naar een grotere toegang van de burgers tot justitie door het project e-Justice verder te ontwikkelen.
VI. EEN BESCHERMEND EUROPA
1. Strategie voor interne veiligheid
De Raad heeft een alomvattende strategie voor interne veiligheid vastgelegd. Om zich te beschermen tegen internationale bedreigingen, is het zaak de maatregelen op Europees niveau te versterken en deze beter af te stemmen op de maatregelen die op nationaal en regionaal niveau worden genomen ter bestrijding van terrorisme, georganiseerde criminaliteit, drugshandel, corruptie, mensenhandel, mensensmokkel, wapenhandel enz.., met inachtneming van de grondrechten van de burger.
Het Permanent Comité binnenlandse veiligheid (COSI) dat bij het Verdrag van Lissabon in ingesteld werkt ter zake aan een aantal maatregelen en programma’s.
2. Inzet van betere middelen
De veiligheid in de EU vergt een geïntegreerde benadering waarbij veiligheidsfunctionarissen op nationaal en Europees niveau een gemeenschappelijke cultuur met elkaar delen. De Lidstaten zien toe op de doeltreffendheid en de interoperabiliteit van de onderlinge informatiesystemen en een goede uitwisseling van informatie. Sinds 2011 bestaat er een agentschap dat de belangrijke informatiesystemen (Schengeninformatiesysteem, Eurodac, Visuminformatiesysteem enz.) centraal beheert). Het agentschap is gevestigd in Tallinn en het operationele centrum bevindt zich in Straatsburg.
Er zijn onderhandelingen aan de gang over een hoog beschermingsniveau voor de persoonsgegevens van passagiers in het Passenger Name Record (PNR), met het oog op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten.
3. Doelmatig beleid
Het agentschap Europol heeft al belangrijke bevoegdheden inzake de samenwerking op EU-niveau op het gebied van strafzaken (onder andere via gezamenlijke onderzoeksteams). Het programma van Stockholm roept op tot een verbetering van de doeltreffendheid van Europol en tot een intensievere samenwerking tussen de agentschappen (Europol voor politiële zaken, Eurojust voor Justitie en Frontex voor de bewaking van de grenzen).
In het kader van de politiële samenwerking is er ook veel aandacht voor het preventieve aspect, vooral de preventie van radicalisering die het pad voor terrorisme kan effenen.
4. Bescherming tegen ernstige en georganiseerde criminaliteit
Op initiatief van het Belgische voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie werd in 2010 binnen de Raad overeengekomen een beleidscyclus op te zetten ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit op Europees niveau (project HARMONY). Met behulp van het project worden actieprioriteiten vastgelegd op basis van een analyse van de ontwikkelingen in de criminaliteit op Europees niveau. Aan de hand hiervan worden de bakens uitgezet voor het beleid inzake de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, dat regelmatig wordt geëvalueerd.
In 2011 werden twee richtlijnen goedgekeurd, een over de versterking van de strijd tegen mensenhandel en een andere over de seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.
In 2011 rondde de Raad eveneens zijn werkzaamheden af met betrekking tot een richtlijn betreffende criminaliteit op internet (cybercriminaliteit).
De Europese Unie hechtte ook haar goedkeuring aan een anti-drugsstrategie (2005-2012) en aan een actieplan Drugs 2009-2012. Deze pleiten voor een alomvattende en evenwichtige benadering die stoelt op de gelijktijdige vermindering van vraag en aanbod. Deze strategie wordt verlengd en er zal meer aandacht worden besteed aan de coördinatie en de samenwerking, meer bepaald met de Westelijke Balkan, Latijns-Amerika, de landen van het Oostelijk Partnerschap, West-Afrika, Rusland, Centraal-Azië (met inbegrip van Afghanistan) en de Verenigde Staten. In oktober 2011 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan een pact tegen synthetische drugs dat in vier thema’s onderverdeeld is : strijd tegen de productie van synthetische drugs, strijd tegen de handel in synthetische drugs en de chemische basisstoffen ervan ; het aanpakken van nieuwe psychoactieve stoffen ; opleidingen voor rechtshandhavingsdiensten met betrekking tot de opsporing, het onderzoeken en het ontmantelen van clandestiene laboratoria.
5. Terrorisme
De terroristische dreiging is nog steeds groot en neemt constant andere vormen aan. Met de goedkeuring van het Programma van Stockholm, bevestigde de Europese Raad andermaal zijn strategie ter bestrijding van het terrorisme, die is toegespitst op vier actiegebieden : voorkomen, vervolgen, beschermen en reageren. Vooral het actiegebied ‘voorkomen’ moet worden versterkt.
De coördinator van de EU voor de strijd tegen het terrorisme (de Belg Gilles de Kerchove) ziet toe op de uitvoering en de evaluatie van de strategie ter bestrijding van het terrorisme, hij coördineert de desbetreffende werkzaamheden binnen de Unie en ijvert voor een betere communicatie tussen de EU en de derde landen.
De Unie zorgt ervoor dat haar beleidsmaatregelen volledig in overeenstemming zijn met het internationaal recht, meer bepaald op het gebied van de rechten van de mens. Binnen de multilaterale organisaties, en meer bepaald binnen de Verenigde Naties, vervult de Unie een actieve rol inzake de bestrijding van het terrorisme.
6. Bestrijding van rampen
Na de grote rampen die zich de laatste jaren hebben voorgedaan (tsunami van 2003, aardbeving in Haïti en overstromingen in Pakistan in 2010), besteedt de EU meer aandacht aan een efficiënte tussenkomst bij natuurrampen (zowel binnen als buiten de EU). Vanuit financieel oogpunt werd al in 2006 een regeling getroffen tussen de EU en de lidstaten (Bijzonder financieel instrument civiele bescherming 2007-2013). Er wordt ook nog nagedacht over een mogelijke uitbreiding van het aantal instrumenten om beter te kunnen reageren op natuurrampen die zich binnen of buiten de EU voordoen.
VII. IMMIGRATIE EN ASIEL
Het Programma van Stockholm verankert de beginselen die zijn vastgelegd in de Global Approach to Migration en in het Europees Pact voor Immigratie en Asiel, dat in 2008 werd goedgekeurd. Het herhaalt de vijf fundamentele verbintenissen van het Pact, met name:
- legale immigratie organiseren, rekening houdend met de prioriteiten, de behoeften en de opvangcapaciteiten zoals die door elke lidstaat werden bepaald, en de integratie bevorderen;
– illegale immigratie bestrijden, met name door vreemdelingen die illegaal op het grondgebied verblijven terug te zenden naar hun land van herkomst of naar een doorreisland;
– de doeltreffendheid van de grenscontroles verbeteren;
– een Europa van het Asiel tot stand brengen;
– een globaal partnerschap creëren met de landen van herkomst en van doorreis, dat de synergie tussen migratie en ontwikkeling bevordert;
1. Een dynamisch en alomvattend migratiebeleid
Het Programma van Stockholm roept op de totaalaanpak van de EU van het migratievraagstuk te consolideren, te ontwikkelen en uit te voeren door gebruik te maken van de beschikbare instrumenten : migratieprofielen, migratiemissies, samenwerkingsplatforms voor migratie en ontwikkeling en mobiliteitspartnerschappen. Het is de bedoeling op lange termijn met betrekking tot alle dimensies van het migratiebeleid tot een nauwe samenwerking te komen, ook met bepaalde derde landen die langs de migratieroutes liggen.
De druk die zich sinds enkele jaren op het asielstelsel van sommige lidstaten laat gevoelen en de migratiebewegingen die het gevolg zijn van de Arabische Lente in 2011 hebben de Raad JBZ en de Europese Raad ertoe aangezet meer aandacht te besteden aan het migratievraagstuk en het te integreren in het standpunt « more for more », dat werd ontwikkeld ten aanzien van de zuidelijke buurlanden. Te dien einde deed de Europese Raad van juni 2011 een oproep om in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid partnerschappen op te zetten met de zuidelijke en oostelijke buurlanden. De eerste fase behelst met de betrokken landen een breed opgevatte gestructureerde dialoog aan te knopen over migratie, mobiliteit en veiligheid, zodat zowel de landen in kwestie als de Europese Unie hier concreet voordeel bij hebben. De partnerschappen inzake mobiliteit zullen, afhankelijk van de situatie in elk partnerland, van elkaar verschillen en maken het voorwerp uit van aparte overeenkomsten. Ze zijn ondergeschikt aan de inspanningen die worden gedaan en de vooruitgang die wordt geboekt in alle gebieden (migratiebeleid, terug- en overnamebeleid, beleid inzake mobiliteit en veiligheid).
De immigratie van arbeidskrachten kan het concurrentievermogen en de vitaliteit van de economie stimuleren. De Unie moet samenhangende immigratiebeleidsmaatregelen nemen en bepalen naar welke beroepen het meeste vraag is op de Europese arbeidsmarkt, met inachtneming van de bevoegdheden van de lidstaten, meer bepaald betreffende het arbeidsmarktbeheer, en van het preferentiebeginsel van de Europese Unie.
In het kader van de uitvoering van het actieprogramma voor legale migratie hechtte de Europese Unie in 2009 haar goedkeuring aan een richtlijn betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van hoogopgeleide werknemers, afkomstig van buiten de Unie (« blue card»-richtlijn) en in 2011 aan een richtlijn betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken en betreffende een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (single-permit richtlijn). Momenteel wordt nog onderhandeld over twee andere instrumenten die respectievelijk betrekking hebben op de verblijfsvoorwaarden voor seizoenarbeiders afkomstig uit derde landen en voor werknemers afkomstig uit derde landen die binnen hun bedrijf worden overgeplaatst (« intra-corporate transferees » ).
De Europese Unie ontwikkelt ook activiteiten met het oog op de integratie van onderdanen van derde landen die legaal in de Europese Unie verblijven. In juli 2011 hechtte de Commissie haar goedkeuring aan een mededeling die ter zake een aantal aanbevelingen formuleert.
Het is ook zaak de strijd aan te binden tegen clandestiene immigratie. Om ter zake van terugkeer- en terug- en overnamebeleid een totaalaanpak uit te stippelen, moet de samenwerking met de landen van herkomst en de doorreislanden worden verbeterd. Te dien einde sloot de Europese Unie terug- en overnameovereenkomsten met een aantal derde landen en onderhandelt ze hierover nog steeds met andere derde landen. In 2008 hechtte de Europese Unie haar goedkeuring aan een richtlijn betreffende de terugkeer van illegale immigranten die de vrijwilige terugkeer van illegale immigranten aanmoedigt en minimumnormen inzake de duur van detentie en van het terugkeerverbod vastlegt alsmede in een aantal juridische garanties voorziet. In 2011 hechtte ze haar goedkeuring aan een verordening die de bevoegdheden uitbreidt van het Agentschap voor het toezicht op de buitengrenzen (Frontex), dat de jongste maanden een aantal operaties in de Middelandse Zee uitvoerde.
In 2010 hechtte de Raad zijn goedkeuring aan een aantal conclusies die aanbevelingen formuleerden om het lot van niet-begeleide minderjarigen, een zeer kwetsbare groep, te verbeteren.
2. Asiel : een gemeenschappelijke en solidaire ruimte waarin bescherming wordt geboden
De Europese Raad herhaalde meermaals de doelstelling om tegen 2012 een gemeenschappelijke en solidaire ruimte te creëren waarin bescherming wordt geboden, op basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en eenzelfde statuut voor personen die internationale bescherming genieten. Momenteel zijn er immers grote verschillen tussen de nationale wetsbepalingen en in de toepassing ervan.
De verwezenlijking tegen 2012 van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel geldt nog steeds als doelstelling maar de onderhandelinen over de volgende vijf instrumenten van het « asielpakket» verlopen moeizaam :
- de verordening van Dublin die bepaalt welke lidstaat bevoegd is om een asielaanvraag te onderzoeken ;
- de Eurodac-verordening (bestand dat de vingerafdrukken bevat van de verzoekers om internationale bescherming) ;
- de « kwalificatierichtlijn » die bepaalt welke personen in aanmerking komen voor asiel of andere vormen van internationale bescherming, met inachtneming van het Verdrag van Genève betreffende vluchtelingen : eind juni 2011 werd in eerste lezing met het Europees Parlement een akkoord bereikt over deze richtlijn ;
- de richtlijn over de opvangvoorwaarden van verzoekers om internationale bescherming ;
- de procedurerichtlijn.
Het is ook zo dat op het einde van het Belgische voorzitterschap in 2010 een verordening werd goedgekeurd die de status van langdurig ingezetenen uitbreidt tot personen die internationale bescherming genieten.
In mei 2010 hechtte de Europese Unie haar goedkeuring aan een verordening tot oprichting van een Europees ondersteuningsbureau voor asielzaken. Dit is een belangrijk instrument voor het uitstippelen en uitvoeren van de asielregeling, dat bijdraagt tot het versterken van de concrete samenwerking tussen de lidstaten. Het hoofdkantoor van dit nieuwe bureau is in Malta gevestigd.
Wat de externe dimensie van het asielbeleid betreft, doet de Europese Unie inspanningen om derde landen te helpen hun eigen nationale asielstelsels te ontwikkelen. De Europese Unie spoort de lidstaten aan deel te nemen aan de programma’s inzake de hervestiging van vluchtelingen die zich in derde landen bevinden en inzake de intra-EU relocatie van vluchtelingen.
VIII. EUROPA IN EEN GEBLOBALISEERDE WERELD – DE EXTERNE DIMENSIE VAN VRIJHEID, VEILIGHEID EN RECHTVAARDIGHEID
De externe dimensie van het optreden van de Unie op het gebied van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is een belangrijk punt. Het beleid ter zake moet dan ook zoveel mogelijk in de algemene beleidsmaatregelen van de Europese Unie worden ingebed. De externe dimensie van het asielbeleid werd hiervoor reeds besproken. Een ander voorbeeld is de veiligheid, waarvan de interne en externe dimensie onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Om Europa en zijn burgers bescherming te kunnen bieden, is het van het grootste belang de dreigingen het hoofd te bieden, ook al doen ze zich ver van het Europese continent voor. Het permanente Comité voor Interne veiligheid (COSI) en het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) hebben een gezamenlijke studie aangevat over de synergieën tussen JBZ en Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB).
Wat de rechten van de mens betreft, streeft de Europese Unie ernaar haar waarden naar buiten uit te dragen en ziet ze toe op de strikte naleving van het internationaal recht en van de ontwikkelingen ter zake.
De belangrijkste thematische prioriteiten van de strategie betreffende de externe dimensie van JBZ zijn nog steeds de strijd tegen het terrorisme, de georganiseerde criminaliteit, corruptie, drugs alsmede de veilige uitwisseling van persoonsgegevens en het beheer van de migratiestromen.
De Europese Unie voert ter zake een dialoog en sluit overeenkomsten met haar belangrijkse partners. Het Verdrag van Lissabon voorzag in een aantal nieuwe meer efficiënte procedures om met derde landen overeenkomsten aan te gaan.
De bescherming van persoonsgegevens is een belangrijk streefdoel voor de Europese Unie, die ter zake een aantal overeenkomsten heeft gesloten of er met haar partners, met name de Verenigde Staten, nog over onderhandelt.
Het optreden van de EU inzake externe betrekkingen wordt ook vorm gegeven middels de overeenkomsten over visafacilitatie (onder meer met Rusland en de landen die deelnemen aan het Europees nabuurschapsbeleid) of middels visumvrijstellingsovereenkomsten (onder meer met de landen van de Westelijke Balkan), voor zover een aantal voorwaarden vervuld zijn.
De betrekkingen met de landen van het Middellandse Zeegebied kenden de jongste tijd een aantal ontwikkelingen, die werden besproken in het hoofstuk over migratie.
De samenwerking met de Verenigde Staten werd de jongste tien jaar opgevoerd en wordt voortgezet voor alle vraagstukken die verband houden met de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Op geregelde tijdstippen worden vergaderingen op ministerieel niveau en op het niveau van de hoge ambtenaren georganiseerd.
Soortgelijke vergaderingen worden eveneens regelmatig belegd met de Russische Federatie, Oekraïne en de landen van de Westelijke Balkan.
De JBZ-dimensie komt ook aan bod in de betrekkingen tussen de EU en, onder meer, Afrika, Latijns-Amerika, India en China.
Tot slot is de Europese Unie gewonnen voor een doeltreffend multilateralisme dat een aanvulling vormt op de bilaterale en regionale partnerschappen met de regio’s en met derde landen. Ze handelt in die zin binnen de multilaterale organisaties, in de eerste plaats binnen de Organisatie van de Verenigde Naties.
IX. BRONNEN
Zowel de Commissie als de Raad hebben voortreffelijke internetsites waar de hele thematiek Justitie en Binnenlandse Zaken uitvoerig en helder wordt omschreven.
Deze sites verwijzen ook naar de bestaande wetgeving, met een link naar de wetgevingsinstrumenten.
Europa-Justice