Niet-partnerlanden
Naast de 18 partnerlanden van de gouvernementele samenwerking zijn er nog andere ontwikkelingslanden die Belgische hulp ontvangen. Afhankelijk van de bron, kunnen de bedragen sterk variëren van jaar tot jaar. De cijfers van de Belgische ontwikkelingssamenwerking geven hierover alle details. Het kan gaan om eenmalige uitgaven of uitgaven gedurende een beperkte periode. Dat betreft dan doorgaans programma’s voor noodhulp of humanitaire bijstand (begroting Buitenlandse Zaken), leningen of schuldkwijtscheldingen (begroting Ontwikkelingssamenwerking of Financiën). Het kan ook gaan om meerjarige verbintenissen met andere actoren dan de Belgische staat (ngo’s, universiteiten, gewesten en gemeenschappen…). Met het oog op een grotere hulpdoeltreffendheid streeft de minister voor wat betreft de interventies die gesubsidieerd worden door DGD, op termijn naar een grotere synergie met het gouvernementele concentratiebeleid.
In 2007 hoorden volgende niet-partnerlanden tot de eerste 25 hulpontvangende landen: Kameroen, Burkina Faso, Sierra Leone, Ethiopië, Ghana, Afghanistan en Sudan.
Een gedeelte van de hulp aan Kameroen, Burkina Faso en Ethiopië, alle drie voormalige partnerlanden van de gouvernementele samenwerking, betrof het afwerken van aflopende gouvernementele projecten. Voor Kameroen en Burkina Faso kwam daar nog ngo-samenwerking bij. Kameroen en Sierra Leone genoten van een omvangrijk pakket schuldkwijtschelding. De hulp aan Ghana betrof een lening van Staat tot Staat, en de hulp aan Afghanistan en Sudan werd grotendeels besteed aan humanitaire hulp en middelen voor conflictpreventie en preventieve diplomatie. Burkina Faso en Ethiopië konden bovendien rekenen op middelen uit het Belgisch Fonds voor de Voedselzekerheid, en Ethiopië ontving verhoudingsgewijs ook een groot pakket universitaire samenwerking.