Fiscale vrijstelling van bepaalde giften

OMZENDBRIEF – 1 juli 2010

 

Fiscale vrijstelling van bepaalde giften aan instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden

 

I. Wettelijke basis

De erkenning voor de fiscale vrijstelling van bepaalde giften aan instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden wordt geregeld door artikel 104, 4° en artikel 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en artikel 57 van het Koninklijk Besluit tot uitvoering van het WIB 92 (KB/WIB 92) van 27-08-1993, zoals gewijzigd.

 

II. Procedure

De aanvraag om erkend te worden als "instelling voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden" in het kader van de fiscale vrijstelling van bepaalde giften die aan bepaalde instellingen worden gedaan, moet worden ingediend bij de minister van Financiën.

Website: http://fiscus.fgov.be/interfaoifnl/vragen/ipp/ipp16.htmExterne link

De aanvraag wordt door de minister van Financiën overgemaakt aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking die de ontvankelijkheid van de aanvraag beoordeelt voor wat betreft de aspecten die betrekking hebben op de ontwikkelingssamenwerking.

De minister van Financiën en de minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn gezamenlijk bevoegd voor de erkenning. Hun beslissing wordt door de minister van Financiën aan de aanvragende instelling meegedeeld.

 

III. Bevoegde administratieve diensten

Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, Centrale diensten, Directie I/5C, North Galaxy - A - 14de verd., Koning Albert II-laan 33 - bus 25, 1030 Brussel; tel. 02/576.23.69 - 02/576.30.92.

FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Directie-Generaal Ontwikkelingssamenwerking (DGD), dienst D3.3, cel "Fiscale vrijstelling", Karmelietenstraat 15 in 1000 Brussel; tel. 02/501.47.91 (nl) en 02/501.47.89 (fr).

 

IV. Algemene criteria voor erkenning met het oog op fiscale vrijstelling

Op basis van artikel 57 van het KB/WIB 1992 kunnen onder meer de instellingen voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden worden erkend op voorwaarde:

1° dat zij rechtspersoonlijkheid bezitten krachtens het Belgisch publiekrecht of privaatrecht;
2° dat ze generlei gewin bejagen, noch voor zichzelf, noch voor hun leden als zodanig;
3° dat hun werkzaamheden:

a) worden uitgeoefend op het volledige grondgebied van een of meerdere lidstaten van de Europese Economische Ruimte waar die instellingen actief zijn of betrekking hebben op het centraliseren en coördineren van plaatselijke of gewestelijke werkzaamheden of werkzaamheden in meerdere lidstaten;
b) rechtstreeks gericht zijn op wetenschappelijk onderzoek, op bijstand aan misdeelden of op hulpverlening aan ontwikkelingslanden;
c) deze aanvullen die op de hierboven vermelde gebieden worden verricht door de Belgische overheid of door internationale instellingen waarvan België lid is.

 

V. Specifieke criteria om als instelling voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden in aanmerking te komen

Met het oog op de beslissing van de minister van Ontwikkelingssamenwerking, kan een instelling worden beschouwd als een instelling voor hulpverlening aan ontwikkelingslanden, mits de hulpverlening van deze instellingen beantwoordt aan de hieronder vermelde criteria:

1. De aanvragende instelling moet ten minste één volledig jaar activiteiten hebben uitgevoerd inzake hulpverlening aan ontwikkelingslanden in het Zuiden en/of activiteiten van sensibilisering en ontwikkelingseducatie in het Noorden.

2. De aanvragende instelling moet tot structurele en duurzame ontwikkeling bijdragen. Om de erkenning te verkrijgen volstaat het niet om louter geld in te zamelen voor andere (nationale of internationale) instellingen.

3. Om te bepalen of een land al dan niet een ontwikkelingsland is, wordt de lijst opgesteld door het Comité voor Ontwikkelingshulp (CAD) van de OESO, gehanteerd. Hulpverlening aan landen die niet op deze lijst staan, komt niet in aanmerking.

4. De “activiteiten uitgeoefend op het vlak van hulpverlening aan ontwikkelingslanden” moeten aanvullend zijn aan de activiteiten die de Belgische overheid, of de internationale instellingen waarvan België lid is, verrichten op het vlak van ontwikkelingssamenwerking.

Zij moeten dus de doelstellingen van artikel 3 van de Wet van 25/05/1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking in acht nemen:

De Belgische internationale samenwerking heeft als hoofddoel de duurzame ontwikkeling, te realiseren door middel van armoedebestrijding, op basis van het concept “partnerschap” en met inachtneming van de criteria van ontwikkelingsrelevantie. De Belgische internationale samenwerking draagt in dit kader bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en versterking van de democratie en van de rechtstaat met inbegrip van het principe van goed bestuur, alsook tot het respecteren van de menselijke waardigheid, van de rechten van de mens en van de fundamentele vrijheden, met een bijzondere aandacht voor het bestrijden van elke vorm van discriminatie om sociale, etnische, religieuze, levensbeschouwelijke redenen dan wel op basis van het geslacht. De federale samenwerking bevordert de synergie met de samenwerking vanwege de gemeenten, de provincies, de gewesten en Europa, met de bedoeling er uitbreidende effecten van te verkrijgen die op termijn voordelig zijn voor de bevolkingsgroepen die de bijstand genieten.

Ten einde de doelstelling van duurzame menselijke ontwikkeling te realiseren zal de Belgische internationale samenwerking de socio-economische en socio-culturele ontwikkeling en de versterking van het maatschappelijk draagvlak in de partnerlanden helpen bevorderen alsook de Belgische publieke opinie sensibiliseren.

Teneinde de activiteiten van de overheid nuttig aan te vullen, moeten “activiteiten uitgeoefend op het vlak van hulpverlening aan ontwikkelingslanden” tevens voldoen aan de criteria voor ontwikkelingsrelevantie zoals vermeld in artikel 4 van de Wet van 25/05/1999 (zoals gewijzigd tot op heden):

  • versterking van de institutionele en beheerscapaciteit;
  • economische en sociale impact;
  • technische en financiële leefbaarheid;
  • efficiëntie van de geplande uitvoeringsprocedure
  • aandacht voor de gelijkheid tussen mannen en vrouwen;
  • respect voor bescherming of vrijwaring van het leefmilieu.

5. Activiteiten in ontwikkelingslanden moeten plaatsvinden in samenwerking met lokale organisaties of instellingen.

6. Humanitaire hulp aan de bevolking van ontwikkelingslanden of steun aan de rehabilitatie van ontwikkelingslanden na conflictsituaties of natuurrampen komen eveneens in aanmerking.

7. Een instelling mag maximaal 20% voor haar bestaansmiddelen van alle aard, verminderd met die die voortkomen van andere erkende instellingen, gebruiken voor haar kosten van algemeen beheer. (art.57,§4, 2°,a, KB/WIB).

8. De activiteiten moeten voldoende controleerbaar zijn (zowel in België als op het terrein) en moeten dus duidelijk en volledig beschreven worden, zowel inhoudelijk als financieel. De gegevens moeten DGD de mogelijkheid geven om lokaal de activiteiten na te gaan.

9. Het activiteitenverslag en de jaarrekening  van het laatste afgesloten boekjaar van de aanvragende instelling moeten het mogelijk maken de precieze bestemming van de fondsen en de effectieve besteding van de ingezamelde fondsen na te gaan.

 

VI. Specifiek vereiste documenten

1. De statuten van de vereniging.

2. Het activiteitenrapport van het laatste afgesloten boekjaar, dat het mogelijk moet maken om te beoordelen of de activiteiten van de instellingen beantwoorden aan de criteria voor ontwikkelingsrelevantie. Het activiteitenrapport dient dus volledig, duidelijk en beknopt uit te leggen welke activiteiten de aanvragende instelling verricht heeft, welke interventies ze gerealiseerd heeft en steunt en welke ze in het vooruitzicht stelt, in België en in de ontwikkelingslanden. Het rapport dient tevens gedateerd en ondertekend te worden, met de vermelding van de naam en de hoedanigheid, door een persoon die de instelling wettelijk kan verbinden.

3. Een afschrift van de rekening van de ontvangsten en uitgaven van het laatste afgesloten boekjaar en van de begroting van het lopende boekjaar. Aanvragen die worden ingediend vanaf september van een lopend jaar moeten vergezeld zijn van een vooruitzicht van de activiteiten van het daaropvolgende jaar.

4. Het verslag van de ontvangsten en de uitgaven moet een duidelijk onderscheid maken tussen de uitgaven die bestemd zijn voor activiteiten in ontwikkelingslanden, ontwikkelingseducatie en/of de activiteiten inzake sensibilisering en ontwikkelingseducatie, en de andere uitgaven van de instelling.

5. Het activiteitenrapport van de aanvragende instelling moet tevens duidelijk in verband te brengen zijn met haar rekeningen van ontvangsten en uitgaven. Dit impliceert dat de aard van de interventie, het betrokken bedrag en de bestemming van de fondsen (of goederen) duidelijk dient te worden aangegeven, aan de hand van precieze en in principe controleerbare gegevens.

 

VII. Deze omzendbrief geldt voor alle dossiers ingediend bij de minister van Financiën vanaf 1 juli 2010. De postdatum zal gelden als bewijs van indiening.