Veiligheid
Inzake veiligheid is het Protocol van de FOD Buitenlandse Zaken (P2) de permanente liaison tussen enerzijds de buitenlandse diplomatieke missies die in ons land gevestigd zijn en anderzijds de waaier van Belgische diensten/organisaties die verantwoordelijk zijn voor het toekennen en uitvoeren van concrete veiligheidmaatregelen. Dit zijn o.m. het Crisiscentrum van de FOD Binnenlandse Zaken, de Staatsveiligheid, de federale, regionale en lokale politiediensten, het Coördinatieorgaan voor de Dreigingsanalyse (OCAD) en Protocoldiensten van andere instanties (Hof, EU, luchthavens /Zuidstation).
Concrete veiligheidsmaatregelen worden slechts genomen op basis van de beschikbare informatie die vooraf door de diplomatieke missie overgemaakt wordt aan het Protocol.
1. Veiligheid tijdens bezoeken van buitenlandse hoogwaardigheidbekleders
Tijdens het bezoek van buitenlandse hoogwaardigheidsbekleders op Belgisch grondgebied nemen de Belgische autoriteiten de nodige veiligheidsmaatregelen op voorwaarde dat zij tijdig over alle nuttige informatie beschikken met betrekking tot het bezoek.
Escortes en diensten voor persoonsbeveiliging kunnen door de FOD Binnenlandse Zaken (Crisiscentrum) uitsluitend worden aangeboden bij bezoeken van Staatshoofden en Regeringsleiders, afhankelijk van de beschikbaarheid van deze diensten en op voorwaarde dat het bezoek binnen een redelijke termijn (minstens 2 dagen vóór het bezoek) aangekondigd is. De beveiliging is afgestemd op het gedetailleerd programma van het bezoek en op een risicoanalyse met betrekking tot het bezoek en/of de persoon.
Voor de regeringsleden en andere officiële gasten zorgt de diplomatieke missie zelf voor de beveiliging.
Bij georganiseerde bezoeken in het kader van contacten met de internationale instellingen die in Brussel gevestigd zijn, bij een Europese top of bij een Belgisch voorzitterschap, worden escortes voorzien voor de Staatshoofden en regeringleiders. De persoonsbeveiliging daarentegen wordt enkel toegekend aan de bezoekers die – op basis een dreigingsanalyse – het voorwerp kunnen uitmaken van een specifieke dreiging. In dergelijke gevallen wordt het inschakelen van escortes en persoonsbeveiliging ingegeven door de zorg voor de openbare veiligheid.
Sommige hoogwaardigheidsbekleders zijn vergezeld van hun eigen veiligheidsagenten, waarvan er maximaal vier een vuurwapen mogen dragen en dit op voorwaarde dat ze vooraf een wapendrachtvergunning hebben aangevraagd via het Protocol.
Wat de veiligheidcontroles betreft bij de aankomst in België op de luchthaven (of het Zuidstation) zijn enkel de Staatshoofden vrijgesteld van de verschillende veiligheids– en douanecontroles.
Andere hoogwaardigheidsbekleders zijn niet vrijgesteld van deze controles hoewel deze controles uiteraard op de gepaste wijze zullen uitgevoerd worden. Enkel hun bagage is vrijgesteld van douanecontrole.
2. Beveiliging van de diplomatieke gebouwen en van het buitenlands diplomatiek personeel
De beveiliging van de diplomatieke gebouwen (ambassades, residenties, zetels van internationale instellingen op Belgisch grondgebied ) en de beveiliging van het diplomatiek personeel (ambassades en diplomaten bij de Internationale instellingen) is een verplichting voor de Belgische overheid die voortvloeit uit de Conventies van Wenen (1961 en 1963).
Elke missie dient evenwel een specifieke aanvraag voor de beveiliging te richten aan het Protocol. Dit gebeurt met verbale nota waarin een aantal gegevens worden vermeld. Het Protocol maakt deze over aan de FOD Binnenlandse zaken die – op basis van een evaluatie - de nodige maatregelen neemt.
De beveiliging van het patrimonium van de buitenlandse missie gebeurt hoofdzakelijk door de federale en locale politiediensten onder de vorm van politiepatrouilles. Deze beveiliging is beperkt tot de buitenkant van de missie. Binnen de gebouwen wordt de missie verondersteld om zelf de noodzakelijke veiligheidsmaatregelen te voorzien.
Ingeval van agressie (inbraak, diefstal, vandalisme) neemt de missie onmiddellijk contact op met de locale politiediensten die ter plaatste een proces verbaal opmaakt. Hiervan dient ook melding gemaakt te worden aan het Protocol (P2.2) in een verbale nota. Het Protocol contacteert het crisiscentrum en de betreffende veiligheidsdiensten en een onderzoek wordt ingesteld. Op basis hiervan worden eventueel bijkomende veiligheidsmaatregelen genomen.
Ook ingeval van agressie ten aanzien van buitenlands diplomatiek personeel wordt dezelfde procedure gevolgd. Het Protocol zal ook in dit geval een intermediaire en bemiddelende rol spelen met het oog op het nemen van specifieke of bijkomende maatregelen door de bevoegde veiligheidsdiensten.
In de mate van het mogelijke zal het Protocol aan de de slachtoffers van agressie informatie en advies geven over de nodige (juridische en eventuele andere) stappen die kunnen genomen worden om hun probleem tegemoet te komen of om hen eventueel te begeleiden naar andere, bevoegde instanties.
