Inleiding

Zetelbeleid kan algemeen worden omschreven als het beleid dat betrekking heeft op het onthaal van internationale gouvernementele organisaties die hun zetel of een vertegenwoordiging (missie, verbindingsbureau, ...) hebben in België.

Het zetelbeleid omvat meerdere onderdelen die tot de bevoegdheid behoren van diverse ministers en administraties binnen de verschillende bestuursniveaus.

Aangezien het zetelbeleid betrekking heeft op de relaties tussen België en internationaal-publiekrechtelijke instellingen maakt het deel uit van het Belgisch buitenlands beleid en wordt het aldus op federaal niveau gecoördineerd door de Minister van Buitenlandse Zaken, onder de verantwoordelijkheid van de Eerste Minister. Voor wat betreft de onderdelen van het zetelbeleid die behoren tot de bevoegdheid van de Gemeenschappen en de Gewesten grijpt het overleg tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten plaats binnen het kader van de overlegmechanismen voor de buitenlandse betrekkingen die in uitvoering van de grondwetswijziging van 1993 in het leven werden geroepen. Ook met de lokale overheden, die eveneens over belangrijke bevoegdheden beschikken die het zetelbeleid raken, is permanent een gestructureerd overleg onontbeerlijk.

Zoals hier gedefinieerd omvat het zetelbeleid twee grote onderdelen:

  • De naleving door België, als gastland, van zijn internationaal-rechtelijke verplichtingen tegenover de international organisaties op zijn grondgebied, met name de toekenning van voorrechten en immuniteiten;
  • Het eigenlijke onthaal: het geheel van acties die er, naast en bovenop de toepassing van de voorrechten en immuniteiten, kunnen toe strekken België aantrekkelijker te maken als vestigingsplaats voor internationale organisaties.