#BEdiplodays: discours du Ministre Alexander De Croo

Discours prononcé lors des Journées diplomatiques 2015

Palais d'Egmont, Bruxelles
02 février 2015

Alexander De Croo
Vice-Premier Ministre et Ministre de la Coopération au développement,
de l'Agenda numérique, des Télécommunications et de la Poste


Alexander Decroo


Dames en heren Ambassadeurs,
Dames en heren Consuls-Generaal,
Leden van het Directiecomité,
Dames en heren,

De nieuwe federale regering zit bijna vier maanden in het zadel. De traditionele inloopperiode van 100 dagen is achter de rug. Deze diplomatieke dagen zijn dan ook een uitgelezen moment om samen te spreken over de krachtlijnen van het internationaal ontwikkelingsbeleid dat de regering de volgende jaren zal uitzetten en over de belangrijke rol die het Belgische postennetwerk daarbij kan spelen.

*
* *

Dames en heren,

Het jaar 2015 wordt van allesbepalend belang voor de internationale ontwikkelingsagenda. In september zullen de staatshoofden en regeringsleiders van 193 landen in New York de nieuwe post-2015 ontwikkelingsagenda lanceren. Die nieuwe ontwikkelingsagenda moet duurzaam, universeel, geïntegreerd en transformatief zijn. VN Secretaris-generaal Ban Ki-Moon had het over een paradigm shift for people and planet. Of zoals onze Permanente Vertegenwoordiging te New York het in één van zijn berichten gevat omschreef: “It’s the only game in town”.

Les OMD ont ainsi donné une place de choix au thème du développement dans le débat politique et sociétal et l’ont popularisé. De plus – et c’est un élément important – ils ont créé un climat qui a conduit au doublement de l’aide publique au développement (ODA).

Mais le programme pour l’après-2015 devra être plus qu’une pâle copie des OMD.

Ten eerste, moeten we onszelf een ambitievraag durven stellen. We zijn er in geslaagd om het aantal mensen die moeten overleven met minder dan 1,25 dollar per dag te halveren. Mooi. En we zullen er wel in slagen om tegen 2030 ook de resterende helft uit de extreme armoede te halen. Maar is het dát wat ons tot tevredenheid moet stellen? Staat 1,25 dollar per dag gelijk met een menswaardig bestaan? Of is het niet veeleer volstrekt onaanvaardbaar dat we het in deze 21ste eeuw nog steeds hebben over cijfers na het eerste kommapunt? Is het niet volstrekt onaanvaardbaar dat, vandaag nog steeds, nagenoeg één miljard mensen in extreme armoede leeft?

Ten tweede, moeten we beseffen dat de wereld van vandaag fundamenteel verschilt fundamenteel met die van vijftien jaar geleden. Het onderscheid tussen Noord en Zuid vervaagt. Steeds meer landen groeien naar elkaar toe. Het narratief van Afrika als hét continent van de toekomst wint met recht en rede terrein. Opkomende economieën nemen steeds meer taken als donor op zich (en blijven soms ook ontvanger). Een variëteit aan nieuwe stakeholders, gaande van filantropische initiatieven en private financieringen tot anonieme individuele remittances zorgen voor een dagdagelijkse verbetering van de levensomstandigheden van miljoenen mensen. Nieuwe uitdagingen met betrekking tot globale publieke goederen, zoals klimaatverandering, veiligheid en globale publieke volksgezondheid, hebben betrekking op elk van ons, arm of rijk, in Noord of Zuid.

De post-2015 ontwikkelingsagenda zal dan ook veel universeler, geïntegreerder en transformatiever moeten zijn. Maar – belangrijk –  we zullen er tegelijk over moeten waken dat we niet eindigen, en ik citeer opnieuw Jan Vandemoortele,  met een “agenda van drie O’s”: een agenda die onduidelijk, onmeetbaar en overladen is.

De post-2015 agenda zal een agenda moeten zijn waar de ‘O’ van ontwikkeling definitief de bovenhand neemt. De volgende maanden zijn cruciaal om dat waar te maken.  Het zullen intense en moeilijke onderhandelingen zijn. Vanuit ons land ben ik van plan om voor de post-2015 agenda in te zetten op een aantal ambitieuze doelstellingen:

  1. un système multilatéral qui soit fit for purpose (adapté à ses objectifs), plus flexible, mieux équipé pour faire face aux nouveaux défis ;
  2. un travail digne et une protection sociale, de manière à par exemple pouvoir mettre fin à l’exploitation dans les usines textiles dans l’Est et le Sud ;
  3. de l’attention pour les droits à la santé sexuelle être productive sans occulter les thèmes controversés, tels que la limitation des naissances. Car nous ne pouvons pas ignorer l’impact particulièrement lourd de l’explosion démographique sur un jeune continent comme l’Afrique ;
  4. de l’attention pour les nouvelles opportunités offertes par la numérisation. Si un programme de développement ne tient pas compte de la révolution numérique pour le potentiel de développement, il n’est pas tourné sur l’avenir.


*
* *

Dames en heren,

Parallel met deze nieuwe ontwikkelingsagenda komt een tweede grote uitdaging op ons af. Deze van de moeilijke budgettaire situatie in Europa, en ook in ons land. Ik zal er geen doekjes om winden. De impact van de budgettaire sanering heeft ook gevolgen voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking.

Zo moet het departement ontwikkelingssamenwerking dit jaar een besparing doorvoeren van 150 miljoen euro - een besparing die lineair wordt verhoogd tot 270 miljoen euro in 2019.

In deze omstandigheden beschikte ik bij mijn aantreden over twee mogelijkheden. Ofwel kon ik onmiddellijk tot een lineaire besparing overgaan van 20% op de subsidies aan de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking en de vrijwillige bijdragen aan de internationale organisaties. Met als resultaat de onvoorspelbaarheid van onze financiering en grote rechtsonzekerheid, met alle gevolgen van dien voor projecten, programma’s en personeel.

Om dit te vermijden heb ik gekozen voor een herschikking van onze bijdragen aan de Wereldbank. Door te opteren voor een betalingsschema op negen jaar in plaats van een versnelde betaling op drie jaar, kunnen wij in 2015 en 2016 onze partners juridische en financiële stabiliteit bieden en tegelijk, in overleg, een fundamentele hervorming van ons ontwikkelingsbeleid vanaf 2017 voorbereiden. 

*
* *

Mesdames et Messieurs,

Le portrait que je dresse semble contradictoire. D’une part, nous défendons un programme de développement transformationnel, global extrêmement ambitieux. D’autre part, nous le faisons dans un contexte de frilosité budgétaire, y compris pour l’aide publique au développement.

L’enjeu qui est au cœur du débat sur le développement sera de faire rimer tout cela avec une politique de développement moderne suffisamment fit for purpose (c’est-à-dire en adéquation avec ses objectifs) et qui s’intègre dans les défis globaux et universels de demain.

Plus que jamais, la Coopération belge au développement doit chercher ses propres niches, faire des choix ciblés et fixer des priorités.

Nous devons tout d’abord tenir compte du fait que le groupe des pays en développement se ressemble de moins en moins. Nous devons oser reconnaître que souvent, les pays à revenus intermédiaires s’en sont sortis seuls. Ce sont d’autres moyens que l’aide au développement qui ont permis à ces pays d’enregistrer des progrès considérables. Le Rapport récent du Comité intergouvernemental d'experts sur le financement du développement durable révèle que le financement national a souvent été le vecteur du développement. De plus, dans les pays à revenus intermédiaires, la part des investissements étrangers, des transferts privés et des rémittances était nettement plus élevée que les sources de financement officielles de l’étranger.

In schril contrast daarmee staan de minst ontwikkelde landen, die voor hun  overleving nog steeds in grote mate afhankelijk zijn van ODA. Het gaat om een paar tientallen landen die de afgelopen jaren de boot van de vooruitgang hebben gemist - en die deze ook in de toekomst dreigen te missen.

Landen die geen enkele MDG hebben gerealiseerd. Landen die vastzitten in een armoedefuik, een poverty trap. Landen ook die jammer genoeg in toenemende mate worden vergeten. Die door donoren in de steek worden gelaten. Vooral dan in Sub-Saharaans Afrika. En dat terwijl net deze landen het meest hulpafhankelijk zijn. Maar de donoren verplaatsen zich – en ze doen dit weg van diegenen die hen het meest nodig hebben. Het maakt deze landen alleen maar zwakker en fragieler.

Het zijn de meest fragiele landen, vaak post-conflictgebieden, die onze aandacht verdienen en waarop de Belgische ontwikkelingssamenwerking zich de komende jaren zal concentreren. Zoals u in het regeerakkoord en in mijn beleidsverklaring heeft kunnen lezen wordt het aantal partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking tijdens deze legislatuur van 18 naar 15 gebracht, met een focus op Noord– en West-Afrika en de regio van de Grote Meren. De oefening daarover is volop aan de gang en ik kan niet vooruitlopen op de resultaten, maar ik denk dat mijn focus voldoende duidelijk is.

Een en ander betekent natuurlijk niet dat we onze ogen volledig sluiten voor de middeninkomenslanden. Helemaal niet. Maar in middeninkomenslanden zijn de niet-gouvernementele Belgische actoren vaak beter geplaatst dan de gouvernementele samenwerking om in te zetten op sociale ongelijkheid en mensenrechten. Fit for purpose betekent immers ook de juiste actor op de juiste plaats.

Je suis pleinement conscient du fait que se focaliser sur les pays fragiles n’est pas le choix de la facilité. L’affectation efficace des ressources dans les pays fragiles se révèle souvent très difficile. L’absence de structures et d’institutions solides, les conflits armés, la corruption et l’insécurité génèrent souvent des problèmes.

Il importe aussi de calculer et d’anticiper ces risques et en cas d’échecs, de tirer les leçons qui s’imposent. C’est la seule façon d’aller vers de futurs succès.

*
* *

Mesdames et Messieurs,

Notre choix pour les pays fragiles met d’emblée en perspective l’importance d’une approche fondée sur les droits. Dans les années à venir, elle sera  avec une croissance économique inclusive l’un des deux grands axes de la Coopération belge au développement.

Comme le prévoit très clairement l’accord gouvernemental, l’universalité des droits de l’Homme est un principe sur lequel notre pays se veut cohérent et intransigeant. Cela s’applique a fortiori à la Coopération belge au développement.

Tous les défis de développement sont en effet liés à un ou plusieurs droits humains reconnus au plan international et la logique intrinsèque qui sous-tend une approche fondée sur les droits est de donner un caractère contraignant aux processus de développement, et non plus un caractère volontaire et facultatif.

Deze aanpak laat toe om de plannen, het beleid en de processen van ontwikkelingssamenwerking te verankeren in een stelsel van rechten en plichten die in overeenstemming zijn met het VN Charter en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Door gebruik te maken van deze internationale mensenrechtenstandaarden, versterken we ons platform voor het voeren van de politieke en beleidsdialoog. De programmering gebeurt in samenspraak met de partners op het terrein, op basis van universeel aanvaarde principes en nationale en internationale engagementen die op hun beurt hun vertaling kennen in wettelijke kaders die de verantwoordelijkheden en verplichtingen van staten en overheden ten aanzien van hun burgers verankeren.

Een rechtenbenadering is des te meer van belang in fragiele landen, waar vaak een functionele autoriteit ontbreekt door een gebrek aan institutionele capaciteit of politieke legitimiteit.

Overheden falen er vaak in hun beschermingstaak tegen geweld. Ze komen tekort bij het verlenen van toegang tot basisdiensten en ontberen voldoende draagvlak voor hun optreden.

Het resultaat is een beleid dat mensen uitsluit, bestaande ongelijkheden versterkt en haast per definitie uitmondt onrust, conflict en onveiligheid. Wat op zijn beurt opnieuw een negatieve invloed heeft op economische groeivooruitzichten  en ontwikkeling.

Dans les pays fragiles, il importe donc de mettre en pratique l’approche more for more. Les pays qui sont prêts à fournir un effort supplémentaire peuvent compter sur une coopération renforcée avec des incitants positifs. Dans les pays qui n’évoluent pas favorablement, la coopération ne doit pas nécessairement s’arrêter, mais nous devons oser opter pour un autre mode de coopération, par exemple en misant sur un renforcement de la classe moyenne plutôt qu’en travaillant directement avec le gouvernement. La coopération au développement n’est jamais un chèque en blanc. C’est du donnant-donnant.

Un exemple. Dans le cadre d’une série d’élections dans la région des Grands Lacs, nous constatons que des libertés fondamentales, telles que la liberté d’expression ou d’association sont menacées. La pression exercée sur les partis d’opposition, les médias indépendants et les ONG augmentent. De plus en plus, on se sert de la justice pour réduire l’échiquier politique.

C’est dans de telles circonstances que nous devons recalibrer la politique de développement, avec les autres services des Affaires étrangères, notamment en ciblant les actions qui renforcent la société civile et en imposant des conditions minimum à nos partenaires gouvernementaux.

C’est pour cela que je n’ai pas octroyé le bonus de 40 millions au Rwanda. C’est pour cette raison que j’ai assorti de conditions le paiement de la deuxième tranche de financement du processus électoral au Burundi. C’est pour cela que j’ai décidé d’attendre l’organisation d’élections présidentielles au Burundi, au Rwanda et en République démocratique du Congo avant de conclure de nouveaux accords de coopération avec ces pays.

Dans le cadre d’une approche fondée sur les droits, une chose doit être très claire : la situation des droits de l’Homme ne peut que s’améliorer, elle ne peut se dégrader. Dans des contextes difficiles, nous ne devons pas nous attendre à des miracles mais nous devons soutenir fermement le progrès.

Nog een voorbeeld van die rechtenbenadering is de opstelling van ons land tegenover holebi-discriminatie. Verschillende regeringen in een aantal van de armste landen hebben extreme en bestraffende wetgevingen aangenomen tegen homoseksualiteit. U zou zich de vraag kunnen stellen of holebi-rechten wel de meest prioritaire zijn in een context van extreme armoede en ongelijkheid. Welnu, ik meen dat, zelfs in een context van extreme armoede, het er blijft op aan komen om holebi-rechten te verdedigen.

Ten eerste omdat het recht op bescherming tegen willekeurige vervolging en discriminatie universeel is, wars van geaardheid of overtuiging.

Ten tweede, omdat we ons de vraag kunnen stellen of deze regeringen wel de juiste prioriteiten kiezen. Zouden ze de kostbare tijd die ze verspillen aan discriminerende wetgevingen niet beter gebruiken voor de uitwerking van daadwerkelijk efficiënte ontwikkelingsstrategieën? En gebruiken ze zulke discriminerende wetgevingen niet veeleer om hun eigen beleidsfalen te verbergen?

Last but not least, en dit geldt net zozeer voor vrouwenrechten, is het niet zo dat samenlevingen die de toegang tot onderwijs, werk en eigendom discriminerend maken een creatieve laag van de bevolking buitenspel zetten voor de ontwikkeling van een efficiënte en eerlijke samenleving?

*
* *

Mesdames et Messieurs,

À côté de l’approche basée sur les droits, le deuxième axe majeur de la politique belge en matière de développement dans les prochaines années sera une croissance durable et inclusive.

Tout d’abord, nous postulons que la croissance économique, et le commerce qui y est lié, constituent le principal levier pour éradiquer la pauvreté et assurer un développement durable. Dans ce cadre, nous accordons une importance particulière au secteur privé, car dans la réalité de tous les jours, ce sont les micro, les petites et les moyennes entreprises qui génèrent innovation, emploi et prospérité. Et c’est cette prospérité qui est à la base de la redistribution et du développement. Les investissements étrangers directs (IED) sont aussi essentiels pour les pays en développement : en 2013, les investissements étrangers dans les pays en développement ont dépassé les investissements étrangers dans les pays industrialisés.

Comment soutenir un climat favorable aux entreprises ? Comment inciter le secteur privé à s’inscrire dans une logique de croissance qui soit aussi inclusive? Comment collaborer avec le secteur privé dans les domaines de développement, comme l’énergie, les infrastructures et l’agriculture?

Ce sont des questions que nous devons poser, en nous disant que les intérêts du secteur privé et ceux de la société civile ne sont pas opposés. Les deux ont intérêt à ce que l’État de droit fonctionne bien, à ce qu’il n’y ait pas de corruption, à ce qu’il y ait des structures économiques et sociales stables. Un modèle économique, écologique et social durable profite aux deux.

Tegelijk moeten we beseffen dat economische groei alleen onvoldoende is. Heel wat middeninkomenslanden kenden een indrukwekkende economische groei, maar tegelijk nam de interne ongelijkheid er sterk toe.

De jongste jaren hebben het Wereld Economisch Forum (WEF) én het IMF meermaals gewaarschuwd dat inkomensongelijkheid één van de grootste mondiale risico’s inhoudt. Een strategie die louter gebaseerd is op economische groei en geen oog heeft voor ongelijkheid, heeft dan ook geen toekomst.

Sociale ongelijkheden leiden tot sociale en politieke instabiliteit. Ze zorgen voor frustraties, opborrelend ongenoegen en vaak heel legitiem verzet. Ze ontwrichten landen en regio’s. De Arabische Lente, het conflict in Syrië en de afzetting van President Compaoré in Burkina Faso zijn slechts enkele voorbeelden.

De Belgische ontwikkelingssamenwerking moet er dus één zijn die erop toeziet dat hele samenlevingen hun voordeel halen uit economische groei, die inclusief, billijk en duurzaam is.

Het is mijn overtuiging dat wanneer we landen op die twee centrale assen – mensenrechten en inclusieve economische groei – stappen vooruit laten zetten we niet alleen bijdragen aan ontwikkeling maar ook de voedingsbodem voor instabiliteit en extremisme wegnemen.

Of zoals gewezen VN Secretaris-generaal Kofi Annan het ooit, omschreef: “We will not enjoy development without security, we will not enjoy security without development, and we will not enjoy either without respect for human rights”.

*
* *

Mesdames et Messieurs,

Le défi que crée un programme ambitieux combiné à des budgets limités nous pousse, plus que dans le passé, à affecter « judicieusement » nos moyens. Cela signifie concentrer, réformer et coopérer avec moins d’acteurs. Actuellement, la Coopération belge au développement est active dans pas moins de 101 pays et finance 206 organisations différentes, allant de la micro ONG à la Banque mondiale. C’est un saupoudrage extrême qui affecte l’efficacité et l’effectivité de la Coopération belge au développement.

C’est dans ce contexte que le nombre d’organisations partenaires multilatérales passera à 15 maximum. À ce sujet là aussi, une réflexion interne est en cours. Nous devons oser considérer ces organisations avec un esprit critique. Quel est leur objectif et leur mandat ? Comment cela rejoint-il nos priorités thématiques ? Quelle est l’efficacité de leur organisation? Sont-elles suffisamment fit for purpose ? Quelle influence notre pays a-t-il dans ces organisations ? Voilà quelques-unes seulement des questions qui doivent jouer dans la sélection finale.

Meer efficiëntie en minder verkruimeling betekent ook dat we naar meer complementariteit streven tussen de gouvernementele en de niet-gouvernementele samenwerking. Meer dan ooit moeten we werk maken van een geïntegreerde landenbenadering waarbij we in functie van de beoogde doelstelling kiezen voor het meest geschikt instrument en de meest geschikte actor.

Meer dan voorheen moeten we streven naar complementariteit met de actoren van de niet-gouvernementele samenwerking (ANGS). Deze actoren beschikken over eigen initiatiefrecht en kunnen zelf hun interventies formuleren. Maar het is aan de regering om er op toe te zien dat hun programma’s en projecten kaderen binnen een geïntegreerde aanpak en binnen de concentratie van de beschikbare middelen.

Een echte landenbenadering die alle Belgische partners omvat en waar elke actor actief is op basis van zijn toegevoegde waarde moet onze doelstelling zijn. Daarom zullen we een nieuw instrument creëren binnen de niet-gouvernementele samenwerking, de call for proposals. En het betekent, last but not least, ook dat we maximaal inzetten op de inbedding van onze acties in Europese en internationale programma’s. Zo zal ons land met volle overtuiging instappen in de gemeenschappelijke Europese programmering die, dankzij gezamenlijke analyses en programmatie, het werk voor elk van de lidstaten niet enkel makkelijker, maar ook  zoveel efficiënter zal maken.

*
* *

Mesdames et Messieurs,

Avant de conclure, j’aimerais encore aborder un dernier élément. L’intégration des trois carrières extérieures est enfin une réalité. Comme c’est trop souvent le cas lors de réformes, la Belgique a été, dans ce domaine aussi, l’un des derniers pays européens à faire ce pas. Saisissons pleinement cette opportunité et mettons fin à la mentalité de cloisonnement qui trop souvent caractérise ce département.

Tous les défis importants du 21e siècle sont liés à la problématique du développement : changements climatiques, migration, instabilité, fanatisme et terrorisme, fuite des capitaux. Nos collègues de New York ont raison. The development agenda is the only game in town.

U bent allemaal ontwikkelingsdiplomaten. En ik verwacht veel van u. Via uw rapportage vanop het terrein draagt u in belangrijke mate bij tot het formuleren van antwoorden op de vragen voor morgen.

Ik kijk er naar uit om met u samen te werken en van gedachten te wisselen.

Ik moedig u aan om de nodige aandacht te besteden aan deze ontwikkelingsuitdagingen, of u nu op post bent in Noord of Zuid, Oost of West.

Ik nodig u vooral uit om de hand te reiken naar gelijkgezinden die onze analyses delen en dezelfde oplossingen voorstaan. Want het streven naar waardigheid en ontplooiing voor elk individu op deze planeet vormt de kerntaak van ons beroep. Of we nu diplomaat zijn op het terrein, dan wel minister van ontwikkelingssamenwerking.

Ik dank u.