Journées diplomatiques: discours du ministre De Croo

Journées diplomatiques

Discours du vice-Premier ministre et ministre de la Coopération au Développement
Alexander De Croo

Palais d'Egmont, 28 janvier 2019

 

Mijnheer de Voorzitter,
Dames en Heren Directeurs-generaal,
Dames en Heren Ambassadeurs en Consuls generaal,

Voor de vierde keer maak ik mijn opwachting tijdens deze diplomatieke contactdagen als minister van Ontwikkelingssamenwerking. Voor de eerste keer ook als minister van Financiën. Ooit werden de ministers van Ontwikkelingssamenwerking en van Financiën als elkaars tegenpolen gezien. Nu zijn ze meer dan ooit verbonden.

Laat me beginnen met een oprecht woord van dank aan u, Bruno van der Pluijm, en aan uw administratie. Onze samenwerking de afgelopen vier jaren heeft mij veel voldoening geschonken. Verschillende collega’s hadden er mij vroeger al op gewezen dat dit een topdepartement is, met heel veel kwaliteit, expertise en creativiteit, met erg gemotiveerde mensen. Ik kan dat na vier intense jaren alleen maar beamen.

Ik wil bij dit dankwoord ook uitdrukkelijk Dirk Achten betrekken, die zich achtereenvolgens als kabinetschef Buitenlandse Zaken, directeur-generaal en voorzitter, gedurende vijftien jaar bijzonder hard heeft ingezet voor dit departement. Jouw benoeming als ambassadeur in Den Haag, Dirk, is een terechte erkenning van die inzet.

Dames en Heren,

Het regeerakkoord van oktober 2014 bevatte voor mij een hele duidelijke opdracht: “Het Belgische beleid inzake ontwikkelingssamenwerking zal verder worden hervormd om het in lijn te brengen met nieuwe uitdagingen en moderne inzichten.”

Wat zijn die nieuwe uitdagingen en moderne inzichten? Laat het me als volgt samenvatten, in vier stellingen:

1. De klassieke Noord-Zuid benadering is definitief begraven. Dat gebeurde wereldwijd met de Agenda 2030 voor Duurzame Ontwikkeling in 2015.  Voortaan hebben we 1 universele, globale agenda met 17 duurzame ontwikkelingsdoelstellingen voor alle landen. Voor het zuiden, maar ook voor het noorden. Het idee dat de problemen zich allemaal in het zuidelijke halfrond bevinden en dat wij in het noorden alle oplossingen hebben, dat idee is definitief van de baan. In een aantal domeinen zijn de zaken zelfs omgekeerd en lopen de landen in het zuiden voorop. Probeer in Brussel maar eens met je smartphone te betalen in de supermarkt. Ik wens je veel succes. In Nairobi kan dat overal. Eén swipe en je hebt betaald.

2. Met het afvoeren van de Noord-Zuid benadering werd ook de klassieke ontwikkelingssamenwerking – om nog maar te zwijgen van ontwikkelingshulp – begraven. Die was gebaseerd op geven, niet op investeren. Op een afhankelijkheidslogica tussen donor en ontvang. Op een onevenwichtige relatie tussen diegene iemand geeft en iemand die krijgt. Voortaan streven we naar partnerschappen, spreken we over investeren, staat gelijkheid tussen evenwaardige partners centraal. Dit lijkt me een veel respectvollere houding.

3. Om klaar te zijn voor deze nieuwe ontwikkelingsaanpak, moest ook het  Belgische ontwikkelingsbeleid anders. Fundamenteel anders. We zijn afgestapt af van de vastgeroeste silobenadering waar we decennialang in gevangen zaten. En waardoor elke synergie werd afgewezen met bijvoorbeeld ons buitenlandbeleid, handel en het migratie. Waar vroeger werd afgeraden op samen te werken is die samenwerking vandaag het uitgangspunt en een must. L’union fait la force. Ook in een hedendaags ontwikkelingsbeleid.

4. En tot slot: alleen maar geld uitgeven is niet genoeg. We hebben de idee verlaten dat de officiële ontwikkelingshulp (ODA) van donorlanden. op zijn eentje in staat is om ontwikkeling op gang te brengen. We kennen ondertussen allemaal de cijfers. De buitenlandse investeringen in opkomende landen, de remittances naar die landen en de fiscale inkomsten van die landen zijn vandaag vele malen omvangrijker dan de klassieke ODA.

Est-ce à dire que l’APD n’a plus aucun rôle à jouer? Pas du tout. Le gouvernement a décidé de se concentrer sur les pays les moins avancés et sur les États fragiles. Ce sont des pays où il y a peu d'investissements étrangers, peu d’envois de fonds par les personnes ayant émigré et trop peu de recettes fiscales propres pour financer le développement. Dans ces pays, l'aide publique au développement a encore toute son importance. D'où notre objectif de consacrer la moitié de l'aide publique belge au développement à ces pays. D’où aussi ma décision de revoir la liste des pays partenaires en début de législature. Treize des quatorze pays partenaires sont désormais des pays africains ; douze de nos pays partenaires font partie des pays les moins avancés ; huit de nos pays partenaires sont des États fragiles.

Selon un institut londonien renommé, l’« Overseas Development Institute », la Belgique est, après l'Irlande mais devant des pays comme la Suède, la Norvège et les Pays-Bas, le bailleur bilatéral le plus efficace dans sa stratégie de lutte contre l'extrême pauvreté. Des années d'efforts soutenus pour mettre notre aide publique au développement au service des pays qui en ont le plus besoin, c'est-à-dire les États fragiles et les pays les moins avancés, sont enfin reconnus à l'échelle internationale.

Mesdames et Messieurs,

L'humain est au cœur de l'agenda 2030. L’objectif premier de ma politique a donc été l'approche fondée sur les droits, le renforcement des citoyens, et spécifiquement des filles et des femmes. Je pense notamment à l'enseignement des filles, aux droits et à la santé sexuelle et reproductive des femmes, à la lutte contre l'explosion démographique, à la lutte contre les mariages d'enfants et les grossesses précoces, et à la lutte contre les mutilations génitales.

Vous connaissez l’initiative « She Decides », qui a vu le jour en réaction à la décision du président Trump de réinstaurer le fameux « Global Gag Rule ». Du jour au lendemain, des organisations qui défendent le droit au planning familial et à l’avortement ont perdu pas moins de 500 millions d’euros de subsides. Après la conférence de lancement à Bruxelles, en mars 2017, voici presque deux ans, le mouvement « She Decides » a permis de récolter plus de 800 millions d’euros.

Ik heb de afgelopen vier jaar ontdekt dat vrouwen de hefboom voor ontwikkeling zijn. “Empower women and the rest will follow”, zoals filantroop en investeerder Warren Buffet zegt. De afgelopen vier jaar zijn voor mij op dat vlak een ontdekkingsreis geweest. Ik heb er vorig jaar een boek over geschreven, “De Eeuw van de Vrouw”. Met de veelbetekenende ondertitel “Hoe feminisme ook mannen bevrijdt”. Voor wie het nog niet gelezen heeft, het ligt nog steeds in de boekhandel, net als de Franse vertaling. De Engelse versie volgt over enkele weken. De internationale lancering is gepland in maart in London voorstellen, in april in Washington en er is ook interesse vanuit New York heb ik begrepen.

Een tweede prioriteit van mijn beleid is het maximaliseren van de financiering voor ontwikkeling. De uitdagingen van de Agenda 2030 vereisen bijzonder veel middelen. “Not millions but trillions,” zoals ontslagnemende voorzitter van de Wereldbank Jim Kim altijd zegt. De SDG’s kunnen enkel bereikt worden via duurzame en inclusieve economische groei, wanneer landen meer eigen inkomsten generen, meer investeringen aantrekken en meer beroep doen op private oplossingen. Het Belgisch ontwikkelingsbeleid ondersteunt deze aanpak. Een voorbeeld daarvan is onze beslissing om af te zien van de belastingvrijstellingen waar de klassieke ontwikkelingssamenwerking beroep op deed. We hebben de afgelopen jaren reeds met vier partnerlanden dergelijke overeenkomsten ondertekend: met Guinee, Senegal, Benin en Rwanda.

Dames en Heren,

Ook het inzetten van innoverende financieringsvormen maakt deel uit van deze hefboom-benadering. U bent ondertussen vertrouwd met de Humanitarian Impact Bond die ons land in 2017 lanceerde met het Internationaal Comité van het Rode Kruis, de allereerste impactbond op humanitair vlak.

In 2016 werd de wet op de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden, BIO, gewijzigd. Het kapitaal van BIO werd opengesteld voor private investeerders die niet alleen op zoek zijn naar financieel rendement maar ook gevoelig zijn voor de ontwikkelingsimpact van hun investeringen. BIO zit in de laatste fase van de oprichting van een eerste SDG Frontier Fund dat zal investeren in Afrika en Azië. Bij de eerste kapitaalsronde zal BIO zowat 20 miljoen euro aan private middelen ophalen, waar de Belgische Staat ongeveer 5 miljoen euro aan zal toevoegen. Zo kan ODA als een hefboom worden gebruikt voor het mobiliseren van andere financiële middelen.

Een ander voorbeeld is het partnerschap met de Bill & Melinda Gates Foundation, het Instituut voor Tropische Geneeskunde van Antwerpen, het Belgische Ontwikkelingsagentschap Enabel, een groot farmabedrijf en enkele technologische spitsbedrijven om de slaapziekte te elimineren. De Gates Foundation matcht elke euro die de Belgische Staat aan dat programma besteedt. In totaal gaat het over een kleine 60 miljoen euro over ten jaar. Werken met organisaties als de Gates Foundation is vernieuwend en inspirerend. Er wordt heel sterk gefocust op innovatie, op het meten van resultaten en op rekenschap. En de eerste resultaten zijn bemoedigend: enkele jaren geleden werden nog jaarlijks 5.000 nieuwe gevallen gedetecteerd in de Democratische Republiek Congo. Twee jaar geleden waren dat er nog 1.700. Vorig jaar nog 600.

Dans le cadre de ce type de coopération, le secteur privé joue un rôle important. Le géant pharmaceutique français, Sanofi, par exemple, propose un nouveau médicament contre la maladie du sommeil à prix coûtant. Ainsi, la politique de développement entend jeter des ponts vers le monde des entreprises.

Un autre exemple. En décembre dernier, j’ai conclu un partenariat avec le secteur belge du chocolat. Cette initiative, qui s’appelle Beyond Chocolate, réunit des acteurs privés très divers autour d’objectifs de durabilité très ambitieux. En plus, nous visons à faciliter des partenariats innovants dans le cadre des objectifs de développement durable, par la création d’un business partnership facility. Des entreprises qui développent des partenariats avec le monde académique, ou avec le monde des ONG dans la poursuite d’un objectif de développement durable, pourront obtenir un cofinancement de la Fondation Roi Baudouin.

Dans cette même logique, l’Agence belge de Développement Enabel prévoit dans chaque nouveau programme de coopération gouvernemental une composante liée à l’appui du secteur privé. Très souvent, il s’agit de l’appui du secteur privé dans l’agriculture, par exemple dans les nouveaux programmes de coopération avec le Maroc, le Mali, le Niger, le Burkina Faso, la Guinée, le Bénin et le Sénégal.

Lancée en début 2018, Enabel d’ailleurs semble avoir trouvé sa vitesse de croisière. Ces derniers mois, de nouveaux portefeuilles-pays ont été approuvés pour le Bénin, la Guinée et le Burkina Faso. J’espère que le gouvernement pourra bientôt approuver les portefeuilles pour le Rwanda et le Sénégal.

Pour ce qui est du Rwanda, nous devons prendre en compte à la fois la critique justifiée sur le manque d’espace politique et médiatique dans ce pays et la volonté politique indéniable d’atteindre des objectifs de développement. Par ailleurs, je relève des décisions récentes encourageantes sur le plan des droits humains, telles que la libération de plusieurs opposants de premier plan ; l’entrée, bien que timide, des partis d’opposition au parlement ; ou encore l’élection de Louise Mushikiwabo au Secrétariat général de l’Organisation Internationale de la Francophonie, une organisation qui défend les droits humains et les valeurs démocratiques.

Dames en Heren,

Zoals jullie weten ben ik sinds kort ook minister van Financiën. In die hoedanigheid ben ik nauw betrokken bij de voorbereiding van de brexit en zetten we alles op alles om ervoor te zorgen dat onze Belgische douanediensten klaar zijn. We weten op dit ogenblik niet in welk scenario we ons op 29 maart zullen bevinden. Maar we moeten ons voorbereiden op het ergste scenario, dat van een no deal brexit. We hopen uiteraard op een ordelijke uitstap, maar we kunnen niet bij de pakken blijven zitten terwijl het politieke schouwspel in Londen verdergaat zonder oplossing in zicht.

Op mijn voorstel heeft de regering beslist om 245 extra douaniers aan te werven en om de douane-infrastructuur te verbeteren. Want zelfs als er een deal komt met een transitieperiode, en zelfs als het Verenigd Koninkrijk daarna in een douane-unie zou blijven, dan nog zullen er douaneformaliteiten moeten vervuld worden.

Naast de versterking van de douane zetten we ook in op nog meer proactieve communicatie naar onze bedrijven. Want slechts één op vijf van de Belgische bedrijven die handeldrijven met het Verenigd Koninkrijk, hebben reeds de nodige stappen ondernomen. Daarom hebben we al deze bedrijven proactief een douanenummer bezorgd. De douane zal zelf ook de 5.000 grootste bedrijven proactief telefonisch contacteren om hen te informeren. Tot slot is vanaf deze week een call center operationeel om vragen te beantwoorden.

Deze inspanningen kaderen in de bredere en gecoördineerde voorbereidingen die de regering onderneemt richting 29 maart, zowel op wettelijk en praktisch als op communicatief vlak.

Persoonlijk hoop ik nog altijd dat de Britten uiteindelijk zullen inzien dat brexit een waanzinnige onderneming is en dat zij zullen beslissen om binnen de EU blijven, of ten minste in een zeer nauwe relatie met Europa.

Maar we zijn op alles voorbereid en gaan ervan uit dat de Britten dat ook zullen zijn. Dat is ook de boodschap dat ik zal geven wanneer ik begin maart naar Londen ga en daar onder meer mijn Britse collega Hammond zal spreken.

Mesdames et Messieurs,

En mai 2015, le gouvernement avait décidé de reporter la préparation d’un nouvel accord de coopération avec la République démocratique du Congo jusqu’à ce que des élections crédibles, transparentes et inclusives aient lieu. Qu’en est-il ? Tout d’abord, je constate qu’il y a eu des avancées indéniables : le mandat constitutionnel du président Kabila a pris fin, bien qu’avec deux ans de retard. Il y a eu des élections, grâce à la pression effectuée à la fois par le peuple congolais et la communauté internationale. Ce même peuple congolais a saisie avec une dignité et une détermination impressionnantes la possibilité de s’exprimer à travers les urnes. Les élections n’ont pas donné lieu à des violences aigues.

Toutefois, la question centrale demeure d’actualité : les élections du 30 décembre dernier, ont-elles été crédibles, transparentes et inclusives ? Avons-nous en effet la garantie que le président inauguré est bien celui qui a remporté la majorité des voix ?

Le gouvernement belge a émis de fortes préoccupations concernant le déroulement du processus électoral et son manque de transparence. J’en conviens, comme mon collègue Didier Reynders, qu’il appartient avant tout à la population congolaise et à la région de se prononcer à ce sujet.

Il est clair que la population congolaise attend un changement, en particulier sur des questions de gouvernance et en matière socio-économique. Un changement qui vise l’amélioration des conditions de vie. J’espère que le nouveau Président sera en mesure d’amorcer ce changement dans les semaines et les mois à venir. Si tel est le cas, le prochain gouvernement belge pourrait relancer sa coopération bilatérale avec la RDC. Si, par contre, ce changement n’a pas lieu, je ne vois pas comment l’on pourrait relancer cette coopération, puisque notre premier devoir est de rester solidaire avec le peuple congolais.

Enfin, en ce qui concerne les relations bilatérales, qui sont sous tension depuis pas mal de temps, la plupart des mesures ont été prises de manière unilatérale par les autorités congolaises. Il leur appartient désormais de revenir ou non là-dessus.

Dames en Heren,

De voorbije jaren hebben we gestaag het aantal vluchtelingen zien toenemen. Langdurige conflicten zoals in Syrië, Jemen, de Sahel of Oost-Oekraïne, komen helaas als maar vaker voor. Ze zijn een teken van toenemende instabiliteit in onze Europese buurregio’s.

Tegenover deze toegenomen humanitaire noden plaatst België al jaren een ambitieus humanitair beleid. Met een historisch hoog bedrag voor humanitaire bijstand. Een beleid dat er in de eerste plaats op gericht is de hulpbehoevenden bij te staan in hun eigen regio. Een beleid dat de humanitaire actoren ertoe aanzet te innoveren en efficiënter de hulp ter plaatse te krijgen. Dankzij onze geloofwaardigheid als humanitaire donor kunnen we ook in de Veiligheidsraad in New York pleiten voor humanitaire toegang en de bescherming van humanitaire hulpverleners.

Het Belgische ontwikkelingsbeleid ziet er vandaag anders uit dan vier jaar geleden. Wie had bijvoorbeeld een jaar geleden gedacht dat we erin zouden slagen om een ethische code op te stellen die door alle Belgische actoren, NGO’s, universiteiten, Enabel, BIO? DGD, ondertekend zou worden? Het Oxfam seksschandaal in Haïti dat in februari 2018 aan het licht kwam, maakte dergelijke snelle vooruitgang mogelijk.

Niemand kan voorspellen wat de toekomst brengen zal, maar het lijkt me onvermijdelijk dat het Belgische ontwikkelingsbeleid de komende jaren nog verder zal inzetten op de strijd tegen de klimaatverandering en op de biodiversiteit. De focus op vrouwenrechten en gendergelijkheid, die zal ook blijven. Daarnaast is het onvermijdelijk, maar ook wenselijk, dat meer aandacht zal gaan naar de problemen in de buurlanden van de Europese Unie. Hoe kunnen wij met ons ontwikkelingsbeleid bijdragen tot de wederopbouw in Syrië en Irak? Hoe kunnen we bijdragen tot een grotere stabiliteit in Noord-Afrika en de Sahelregio?

Dit brengt mij tot een laatste bedenking, over de samenwerking tussen diplomatie en ontwikkelingsbeleid. Ik geloof niet in het spookbeeld van de instrumentalisering van het ontwikkelingsbeleid door de diplomatie. Kijk naar onze focus op Afrika, die we allebei delen, Didier Reynders en ikzelf. De regering heeft bij haar aantreden beslist om onze gouvernementele samenwerking te concentreren op Subsahara Afrika. En vervolgens hebben we beslist om de ontwikkelingsbureaus in Mali, Niger, Benin en Guinee te opwaarderen tot volwaardige ambassades. Hierdoor is ons land beter vertegenwoordigd in deze regio, die van cruciaal belang is, onder meer op het vlak van terroristische dreiging en irreguliere migratie. Diplomatie en ontwikkelingsbeleid kunnen en moeten elkaar versterken en aanvullen.

Onze universitaire samenwerking is een ander voorbeeld. Universitaire samenwerking is een uitstekend instrument om ons land op de kaart te houden, bijvoorbeeld in Zuid-Azië en in Latijns-Amerika, twee regio’s waar de gouvernementele samenwerking is weggetrokken en waar ook onze diplomatie minder sterk aanwezig is. De universitaire samenwerking creëert daarenboven in al die landen een groep van alumni die hun hele leven en loopbaan lang ambassadeurs zullen zijn voor ons land.

We moeten dus weg van de taboes en de dogma’s van het verleden, waarbij niet alleen de ministers van Financiën en van Ontwikkelingssamenwerking, maar ook de ministers van Buitenlandse Zaken en van Ontwikkelingssamenwerking zich gedroegen als elkaars tegenpolen, als elkaars boemannen. Dat heb ik de afgelopen vier jaar getracht te veranderen en ik heb daarbij op u allen kunnen rekenen.

Ik dank u.