Landbouw en visserij

 
Landbouw

De belangrijkste elementen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zijn de rechtstreekse betalingen als inkomenssteun voor landbouwers, de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en de ontwikkeling van de plattelandsgebieden in de Europese Unie.

 
Doelstellingen voor België

Een van de specifieke kenmerken van de Belgische landbouw zijn peri-urbane landbouwgebieden. In ons land, dat een hoge bevolkingsdichtheid kent, komt het gebruik van gronden voor landbouwdoeleinden meer en meer onder druk te staan door wegeninfrastructuur en woon- en industriegebied, zelfs op het platteland. Het gevolg hiervan is een opwaartse druk op de grondprijzen waaraan vooral jonge startende landbouwers die aanzienlijke investeringen in hun bedrijf moeten doen, moeilijk het hoofd kunnen bieden. Bovendien ligt het inkomen in de landbouwsector lager dan in andere sectoren en zijn de werkomstandigheden (vele werkuren, zwaar werk, …) minder gunstig, wat het beroep weinig aantrekkelijk maakt. Daarom is de financiële steun die in België in het kader van het GLB wordt verleend vooral bedoeld voor investeringen in landbouwbedrijven en de vestiging van jonge landbouwers.

De laatste tien jaar stonden in het teken van een "vergroening" van de landbouw. Het GLB zet  landbouwers ertoe aan milieuvriendelijke landbouwmethoden toepassen. Om volledig in aanmerking te komen voor de financiële steun van het GLB moeten landbouwers milieudiensten leveren. Zo moet elk bedrijf of elke groep van landbouwbedrijven bijvoorbeeld voorzien in een ecologisch aandachtsgebied en de verplichting inzake gewasdiversificatie nakomen. In België zijn er ook alternatieve mogelijkheden zoals heraanplanting, uitgestrekt grasland, culturen met een positieve bijdrage aan de eco-efficiëntie, agro-bosbouw, mechanische onkruidbestrijdingsmethoden of het rechtstreekse inzaaien.

Een ander belangrijk element van het GLB is de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten. Het belang van een competitieve en performante voedselproductieketen staat hierin centraal. België pleit voor de versterking van de onderhandelingspositie van de landbouwers in de voedselproductieketen via de oprichting van producentenorganisaties en interprofessionele organisaties in alle landbouwsectoren. Binnen de voedingsmiddelensector moeten de producenten beschikken over een substantiële onderhandelingspositie. België is er absoluut voorstander van dat deze organisaties voor hun leden collectief kunnen onderhandelen over prijzen en hoeveelheden. Eind 2018 werd binnen de Europese Unie overeenstemming bereikt over een richtlijn ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken, een van de belangrijkste oorzaken van het verstoorde evenwicht in de voedselketen. 100% van de landbouwers en 97% van de landbouwbedrijven vallen onder de richtlijn en kunnen zo worden beschermd. 

Mettertijd werd in het kader van  het GLB voorzien in een "vangnet": een geheel van mechanismen om marktverstoringen en de toenemende volatiliteit van de landbouwinkomens als gevolg van aanzienlijke prijsschommelingen op de interne en externe markten tegen te gaan. In dit verband  wijst België met klem op de noodzaak om te beschikken over aanbod- en risicoregulerende instrumenten, waarmee crisismaatregelen en maatregelen voor de marktregulering snel en soepel in werking kunnen worden gesteld.

Een ander onderdeel van het GLB is de schoolregeling voor fruit, groenten en melk waarmee de Europese Unie de aankoop en de kosteloze verdeling van verse groenten en fruit en zuivelproducten voor schoolkinderen medefinanciert. Voor België is dit een belangrijk instrument om kinderen te informeren over en bewust te maken van het belang van landbouwproducten, landbouw en gezonde voedingsgewoonten. In de Belgische scholen is de schoolregeling ”Fruit- en groenten, melk en zuivelproducten” een succes. Het budget dat de Europese Unie elk schooljaar ter beschikking stelt van België bedraagt ongeveer 1.800.000 euro en 420.000 Belgische schoolkinderen (37%) komen hiervoor in aanmerking.

Welke vorm het GLB na 2020 zal aannemen, daaraan wordt momenteel gewerkt. Het nieuwe beheersmodel van het GLB zal eenvoudiger zijn. De lidstaten zullen meer verantwoordelijkheden krijgen en eigen strategische plannen kunnen uitwerken. België pleit voor een GLB dat in ruimere mate bijdraagt aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de EU. Het GLB zal ook economische aspecten moeten integreren, zoals crisisbeheersingsinstrumenten en de verbetering van de positie van landbouwers in de voedselproductieketen, evenals sociale aspecten zoals de generatievernieuwing in de landbouwsector en een sterkere aantrekkelijkheid van het platteland.

 
Nuttige links:


Visserij

Het  gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) is gericht op de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen, zoals vissoorten en schaal- en schelpdieren, en op het beheer van de Europese visserijvloot. Het doel van het GVB is de milieuduurzaamheid op lange termijn in de visserij- en aquacultuuractiviteiten te waarborgen en te zorgen voor positieve economische en sociale effecten voor vissers en kustgemeenschappen. Toch is er voor bepaalde vissoorten sprake van overbevissing: niet alleen het visbestand, maar ook de productiviteit heeft dan te lijden onder de visserijactiviteit. Daarom legt het GVB vangstbeperkingen op om het visbestand op lange termijn in stand te houden. Verder legt het GVB vast in welke gebieden de visserij verboden is teneinde jonge vis en paaivis te beschermen en bepaalt het de normen voor vistuig en de minimumgrootte van gevangen vis. Het is de Raad van de Europese Unie die, op grond van wetenschappelijke adviezen, de vangstmogelijkheden vastlegt evenals de totaal toegestane vangsten (TAC), naargelang de toestand en de productiviteit van de visbestanden. De TAC worden tussen EU-landen gedeeld op basis van nationale quota.

 
Doelstellingen voor België

Overeenkomstig het samenwerkingsakkoord van 1994 tussen de federale overheid, de Gemeenschappen en de Gewesten is het Vlaams Gewest exclusief bevoegd voor zeevisserij. In het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt alleen recreatieve visserij en zoetwatervisteelt (vooral forel) beoefend.

De Belgische vloot werd de afgelopen jaren sterk afgebouwd om de capaciteit (motorvermogen en tonnage) aan te passen aan de vangstmogelijkheden en de rendabiliteit van de sector te verbeteren. België heeft op die manier zijn bijdrage geleverd aan de vermindering van de overcapaciteit van de Europese vloot. De Belgische vloot bestaat uit minder dan 80 vaartuigen die meestal boomkorren gebruiken die geschikt zijn voor de vangst van platvis (tong, schol, …). Uitgedrukt in marktwaarde is tong goed voor een 50% van de totale aanvoer van de Belgische vloot. Verder bestaat de aanvoer uit kabeljauw en 15% schaal- en schelpdieren, vooral garnalen en sint-jakobsschelpen.

De visserijgebieden van België bevinden zich voornamelijk in de Noordzee, het Kanaal, de Ierse Zee, de Keltische Zee en in mindere mate in de Golf van Biskaje. Dit verklaart waarom de Brexit een ernstige bedreiging vormt voor de visserijactiviteit van België. Indien het Verenigd Koninkrijk een exclusief visserijrecht in zijn territoriale wateren eist, wordt België de toegang tot het grootste deel van zijn huidige visserijgebieden ontzegd. De totale aanvoer bedraagt ongeveer 20.000 ton per jaar. De aanlanding van de vangsten heeft plaats in de Belgische havens van Zeebrugge (55%) en Oostende (25%), de rest voornamelijk in Nederland (15%).

Met de hervorming van het GVB in 2014 zijn maximale vangstniveaus vastgelegd die het mogelijk maken de maximale duurzame opbrengst (MDO) te halen en, die tussen 2015 en 2020 geleidelijk moeten worden bereikt voor alle vissoorten. Te veel vissen is niet duurzaam, te weinig vissen is niet rendabel. De MDO is het beste instrument om de visserij zowel duurzaam als rendabel te maken.

Een andere verworvenheid van de hervorming van het GVB is de geleidelijke afschaffing van de teruggooi in zee, die erin bestaat ongewenste bijvangsten overboord te gooien. Het verbod op teruggooi gaat samen met de invoering van de aanlandingsverplichting van de gevangen vis. Het is immers zo dat ongeveer 25% van de gevangen vis wordt teruggegooid, maar dat hun overlevingskans zeer klein is. Bijvangsten kunnen bestaan uit vissen van te kleine afmetingen of uit soorten waarvan de vangst verboden is of waarvoor vangstbeperkingen gelden. Om dit soort verspilling tegen te gaan, wordt tussen 2015 en 2019 de verplichting ingevoerd om alle gevangen vis aan land te brengen, behalve wanneer het soorten betreft waarvan de vangst verboden is en de soorten worden gekenmerkt door een hoge overlevingskans na de teruggooi. In 2019 geldt er een algemene aanlandingsverplichting. Op basis van de vaststelling dat een bepaald percentage teruggooi onvermijdelijk is, is België voorstander van de ontwikkeling van selectievere vistuigen en de toepassing van vistechnieken waarbij teruggooi zoveel mogelijk beperkt blijft.

Daarenboven heeft België recht op middelen uit het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij dat voor de periode 2014-2020 over een totaalbudget van 6,4 miljard euro beschikt. Met deze middelen kan ons land jonge reders en aquacultuurproducenten helpen en de toepassing van alternatieve en milieuvriendelijke vistechnieken stimuleren.

Op internationaal niveau steunt België het engagement van de Europese Unie om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te bestrijden (IOO-visserij). IOO-visserij vormt een ernstige bedreiging voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in oceanen en zeeën overal ter wereld en heeft ook ernstige nadelige gevolgen op sociaal en economisch gebied voor vissers die zich wel aan de regels houden. IOO-visserij vormt naar schatting 15% van de visvangst wereldwijd. De Europese Unie publiceert ook een zwarte lijst van vaartuigen en niet-meewerkende landen en legt sancties op aan overtredende landen door de toegang van hun visserijproducten tot de Europese markt te verbiedens.

 
Nuttige links: