Raad van Europa

Raad van Europa en de rechten van de mens

De Raad van Europa is opgericht in 1949 in de nasleep van de tweede wereldoorlog en telt op heden 47 leden. De Raad heeft in de eerste plaats ten doel over het hele Europese continent een gemeenschappelijke democratische en juridische ruimte te creëren en te waken over de eerbiediging van de fundamentele waarden: rechten van de mens, democratie en de “rule of law”. Voor het verwezenlijken van deze doelstellingen heeft de Raad van Europa in 1950 een basistekst opgesteld die de fundamentele rechten vastlegt van alle personen in het rechtsgebied van de verdragsluitende staten: het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens (EVRM). In 1961 werd een tweede basistekst goedgekeurd die complementair is aan het EVRM en die meer bepaald de economische en sociale mensenrechten garandeert: het Sociaal Handvest. De Raad van Europa bouwde gedurende zestig jaar een uitgebreid acquis uit. Dit acquis omvat niet alleen de normen betreffende de politieke en burgerrechten, de sociale rechten, de rechten van minderheden, de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, de strijd tegen racisme en corruptie, maar voorziet ook in een actieve controle op de naleving van deze normen. De controle gebeurt aan de hand van degelijk verankerde onafhankelijke mechanismen waarvan de deskundigheid en het professionalisme algemeen erkend zijn: de monitoringmechanismen.

Het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM) en de bijbehorende Protocollen

Voornoemd Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens is de belangrijkste verwezenlijking van de Raad van Europa. Het legt de fundamentele rechten en vrijheden vast die de lidstaten beloven te garanderen voor alle personen in hun rechtsgebied. Het EVRM werd aangevuld met 14 protocollen.

Het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM)

Het EHRM is de internationale rechtsinstantie die bevoegd is om bindende uitspraken te doen over klachten inzake schendingen van het Verdrag. Ongeacht hun nationaliteit, kunnen Staten, organisaties, groepen, én particulieren een zaak voorleggen aan het Hof wanneer ze van oordeel zijn dat een Staat die partij is bij het Verdrag zich schuldig maakt aan schending van een of meerdere rechten die het Verdrag garandeert. In vijftig jaar velde het Hof meer dan 10.000 arresten. Deze arresten zijn bindend voor de betrokken Staten en geen verder hoger beroep is mogelijk. Dit heeft tot gevolg dat de regeringen hun wetgeving en bestuurspraktijk op tal van gebieden wijzigen. Binnen de jurisprudentie van het Hof wordt het EVRM gehanteerd als een dynamisch en krachtig instrument om een antwoord te bieden op de nieuwe uitdagingen en de rechtsstaat en de democratie in Europa te versterken.

Het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering

De Raad van Europa heeft 2 belangrijke politieke instituties: Het Comité van Ministers en de Parlementaire Vergadering.

Het Comité van Ministers is het belangrijkste besluitvormend orgaan van de Raad van Europa. In het Comité zetelen de Ministers van Buitenlandse Zaken van de 47 lidstaten van de Raad van Europa, of hun permanente vertegenwoordigers bij de Raad in Straatsburg. Het Comité heeft ook verschillende toezichtsbevoegdheden overeenkomstig het Verdrag. Het waakt over de naleving van de afspraken die de lidstaten maakten binnen de Raad van Europa. Ook is het specifiek bevoegd is om toe te zien op de uitvoering van de arresten.

De Parlementaire Vergadering is samengesteld uit parlementaire vertegenwoordigers van de 47 lidstaten en heeft een beraadslagende functie. Het doet aanbevelingen aan het Comité van Ministers.

De Commissaris voor de rechten van de mens

De functie van Commissaris voor de rechten van de mens werd in 1999 in het leven geroepen. De Commissaris voor de rechten van de mens is een onafhankelijke instantie die de taak heeft het onderricht in, de sensibilisering voor en de eerbiediging van de rechten van de mens in de lidstaten te bevorderen. Daarnaast moet deze instantie ook toezien op de nauwgezette en daadwerkelijke toepassing van de normatieve instrumenten van de Raad van Europa. De Commissaris wordt verkozen door de Parlementaire Vergadering voor een zesjarige termijn die niet vernieuwd kan worden.

De Commissaris voor de rechten van de mens heeft een voornamelijk preventieve taak. Deze instantie heeft geen enkele uitvoerende bevoegdheid. Ze verstrekt adviezen, analyses en aanbevelingen aan de lidstaten om tekortkomingen in de wetgeving te verhelpen en schendingen van de mensenrechten in de praktijk te voorkomen. Het mandaat van de Commissaris voor de rechten van de mens voorziet in de bevordering van de nationale mensenrechtenorganisaties en in de samenwerking met andere internationale instellingen.

Het Europees sociaal handvest

Het Europees Sociaal Handvest zag het licht in 1961 en werd in 1996 grondig herzien. Het bevat de rechten en vrijheden op sociaal gebied en voorziet in een controlesysteem om de eerbieding van deze rechten en vrijheden door de Staten die partij zijn, te garanderen. Het Europees sociaal handvest beoogt de bescherming van de rechten van het individu op het stuk van werkgelegenheid, verloning, sociale zekerheid, toegang tot huisvesting en verbod op kinderarbeid.

Het Europees Comité voor de sociale rechten (ECSR) controleert de verbintenissen van de Staten op sociaal gebied. Het Europees Comité voor de sociale rechten telt 15 onafhankelijke en onpartijdige leden die door het Comité van Ministers van de Raad van Europa worden verkozen. De Staten die partij zijn leggen aan het ECSR jaarlijks een verslag voor waarin ze aangeven op welke manier ze in rechte en in feite uitvoering geven aan het Europees sociaal handvest. Het ECSR bestudeert de verslagen en beslist dan of de nationale situaties al dan niet in het verlengde liggen van het Europees sociaal handvest. De conclusies worden jaarlijks bekendgemaakt. Het ECSR bracht in 2008 een bezoek aan België om te achterhalen in welke mate ons land ermee zou instemmen nieuwe artikelen van het herziene sociaal handvest te bekrachtigen. België bekrachtigde in 2003 een Aanvullend Protocol bij het Europees sociaal handvest dat een systeem van collectieve klachten vastlegt. Op grond van dit systeem kunnen de sociale partners zich tot het ECSR wenden wanneer ze van mening zijn dat een Staat die het handvest heeft bekrachtigd, zich er niet aan houdt. In het kader van zijn rapporteringsverplichting heeft België in 2012 zijn nationale rapport gestuurd naar het ECSR met betrekking tot de periode 2007-2010.

De monitoringmechanismen van de Raad van Europa

Deze mechanismen werden via verdragen dan wel via de oprichting van specifieke instanties in het leven geroepen. Instanties die de opvolging van sommige verdragen moeten controleren of specifieke instanties die hun eigen toepassingsgebied hebben, zijn samengesteld uit onafhankelijke en onpartijdige deskundigen. Deze brengen een bezoek aan de lidstaten van de Raad van Europa om ter plaatse na te gaan of de regels van de Raad van Europa worden uitgevoerd. Ze maken verslagen op en formuleren aanbevelingen voor de toekomst.

Monitoringmechanismen op basis van verdragen

Het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van 26 november 1987 voorzag in de oprichting van een Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT). Het Comité is samengesteld uit onafhankelijke deskundigen uit verschillende middens (juristen, artsen, specialisten strafrecht of politierecht). Het CPT bezoekt detentie-inrichtingen (gevangenissen, detentiecentra voor minderjarigen, politiekantoren, opvangcentra voor vreemdelingen, psychiatrische instellingen) in de verschillende lidstaten om na te gaan hoe personen die van hun vrijheid zijn beroofd, worden behandeld. Het Comité kan al deze plaatsen naar eigen goeddunken en omzeggens zonder voorafgaande kennisgeving bezoeken, privégesprekken voeren met de personen die er worden vastgehouden en het kan vrij in contact treden met alle personen die informatie kunnen verschaffen. Na afloop van het bezoek stelt het Comité een verslag op met zijn bevindingen en formuleert het de aanbevelingen die noodzakelijk worden geacht om de situatie van de van hun vrijheid beroofde personen te verbeteren. Het verslag evenals het antwoord van de lidstaat zijn vertrouwelijk tot op het tijdstip dat de betrokken regering toestemt met de bekendmaking van het verslag, wat doorgaans het geval is. België is partij bij het verdrag, dat werd bekrachtigd in 1991.

De kaderovereenkomst inzake de bescherming van nationale minderheden (1 februari 1995) voorziet in een opvolgingsmechanisme om de tenuitvoerlegging van het Verdrag in de Staten die partij zijn te beoordelen. Dat mondt uit in een aantal aanbevelingen voor een betere bescherming van de minderheden in de Staten die worden opgevolgd. Het Raadgevend Comité dat is samengesteld uit 18 onafhankelijke deskundigen, moet een grondige analyse maken van de wetgeving en de praktijken inzake minderheden in de verschillende landen. Het formuleert voor elk van deze landen adviezen die het Comité van Ministers als leidraad kan hanteren bij het opstellen van resoluties. België heeft deze Kaderovereenkomst wel ondertekend maar niet bekracht.

Het Verdrag inzake mensenhandel (16 mei 2005) beoogt het voorkomen en bestrijden van mensenhandel in al zijn vormen, nationaal of grensoverschrijdend, ongeacht of er al dan niet een verband is met de georganiseerde misdaad. Het Verdrag voorziet in de oprichting van een efficiënt en onafhankelijk opvolgingsmechanisme dat geschikt is om de tenuitvoerlegging van de in het Verdrag vastgelegde verbintenissen na te gaan. Hiermee wordt gedoeld op de Deskundigengroep Mensenhandel (GRETA) die in januari 2009 in het leven werd geroepen. GRETA bestaat uit een multidisciplinaire groep van onafhankelijke experts, en publiceert regelmatig rapporten waarin de maatregelen van de lidstaten op vlak van mensenhandel zorgvuldig wordt onderzocht om te zien of deze coherent zijn met de verplichtingen in de Conventie.

Monitoringmechanismen op basis van specifieke instanties

De Europese Commissie tegen racisme en onverdraagzaamheid (ECRI) werd in het leven geroepen op de Top van Wenen in 1993. De ECRI is een onafhankelijk monitoringmechanisme dat als taak heeft alle lidstaten van de Raad van Europa bij te staan in de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme en onverdraagzaamheid. De ECRI werkt zowel op algemene thema’s als op de verschillende lidstaten van de Raad van Europa. De actie van de ECRI behelst alle maatregelen die nodig zijn om te strijden tegen geweld, alle vormen van discriminatie en vooroordelen waarmee personen of groepen personen worden geconfronteerd uit hoofde van hun “ras”, hun huidskleur, hun taal, hun godsdienst, hun nationaliteit, hun nationale of etnische herkomst.

Verder stelt de ECRI landenrapporten op waarin de situatie in elke lidstaat grondig wordt geanalyseerd op het gebied van racisme en rassendiscriminatie. Ze formuleert ook aanbevelingen zodat het betreffende land de vastgestelde problemen kan aanpakken. De ECRI kwam in september 2008 naar België in het kader van de 4e monitoringcyclus. Ze voltooide het verslag over dit bezoek op 19 december 2008 en maakte het bekend op 22 april 2009.

De Groep van Europese Staten tegen Corruptie (GRECO) werd in 1999 opgericht door de Raad van Europa om erop toe te zien dat de anti-corruptienormen van de Raad van Europa worden nageleefd door de lidstaten. In het kader van de strijd tegen corruptie helpt GRECO de vinger te leggen op leemtes in de nationale beleidsmaatregelen ter bestrijding van corruptie en moedigt de lidstaten aan de nodige legislatieve, institutionele en praktische hervormingen door te voeren. De opvolging door GRECO omvat een evaluatieprocedure op basis waarvan de Groep ten behoeve van de lidstaten een aantal aanbevelingen formuleert. De maatregelen die de lidstaten nemen om uitvoering te geven aan deze aanbevelingen worden beoordeeld aan de hand van een conformiteitsprocedure. GRECO werkt met evaluatiecycli. De derde cyclus die in januari 2007 van start ging, besteedt aandacht aan de beschuldigingen van corruptie overeenkomstig het Strafrechtelijk Verdrag betreffende corruptie en aan de transparantie van de financiering van politieke partijen. Het verslag van GRECO over de situatie hieromtrent in België werd op 22 juni 2009 bekendgemaakt. De vierde cyclus is in januari 2012 van start gegaan en concentreert zich op het thema ‘Preventie van corruptie ten aanzien van parlementsleden, rechters en onderzoeksrechters’.

Politieke monitoringmechanismen

De politieke monitoringmechanismen ressorteren onder het Parlement en het Comité van Ministers. Het betreft meer bepaald de nakoming van de verbintenissen die de nieuwe lidstaten (na 1995) bij hun toetreding aangingen. Deze verbintenissen zijn het voorwerp van en liggen ten grondslag aan bezoeken, verslagen en gesprekken met de organen van de betreffende landen. Ze zijn eveneens een aanknooppunt voor de betrekkingen die andere organisaties, zoals de Europese Unie, met deze landen onderhouden.

Meer informatie