Ontwikkeling

Het internationaal humanitair recht : een recht dat voortdurend in beweging is

Het Verdrag van Genève van 1864 ter verbetering van het lot van de gewonden bij de legers te velde is het eerste verdrag dat op initiatief van het ICRK werd aangenomen om een bepaalde categorie slachtoffers van conflicten te beschermen. Het ICRK telt niet minder dan een honderdtal documenten over gewapende conflicten (verdragen, verklaringen …), die het  in de loop der jaren heeft zien verschijnen.

Bescherming van slachtoffers

De verdragen die onder het « Recht van Genève » ressorteren werden vrij regelmatig uitgebreid. Het Verdrag van 1864 werd bijvoorbeeld eerst in 1906, en nadien in 1929 herzien. Van  1929 dateert ook het Verdrag over de behandeling van krijgsgevangenen. Dit verdrag ontwikkelde de minimumbepalingen die vervat waren in het Verdrag van Den Haag van 1899 en in het Verdrag van Den Haag van 1907. Na WO II valt de bescherming van burgerslachtoffers niet langer onder het gewoonterecht dat ter zake weinig te bieden heeft. Deze categorie slachtoffers valt nu officieel onder de toepassing van het IVe Verdrag van Geneve van 1949. De andere verdragen van 1949 gaan dieper in op de vorige bepalingen ten gunste van gewonden en zieken bij de legers te velde en van de oorlog op zee,en ten gunste van krijgsgevangenen. Artikel 3 dat voor al deze verdragen hetzelfde is, zorgt dan voor een eerste doorbraak ten gunste van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten.

Oorlogvoering (methoden en middelen)

De oorlogvoering die tot dan toe bijna uitsluitend werd geregeld bij het gewoonterecht, werd op de Conferenties van Den Haag van 1899 en 1907 gedeeltelijk gecodificeerd. Deze codificatie ging vergezeld van de bekende « Martens-clausule » die vernoemd werd naar de naam van de Russische  gezant die ze voorstelde :
«  […] In afwachting dat een meer volledig wetboek van de wetten van
den oorlog kan worden uitgevaardigd, achten de Hoge Verdragsluitende
Partijen het nuttig te verklaren, dat in de gevallen, welke niet
begrepen zijn in de door Haar aangenomen reglementaire bepalingen,
de bevolkingen en de oorlogvoerenden verblijven onder de bescherming
en de heerschappij der beginselen van het volkenrecht, zoals die voortvloeien uit de tussen beschaafde volken gevestigde gebruiken, de wetten der menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn ».
Het zal dan tot 1977 duren vooraleer het « Recht van Den Haag » met andere verdragen wordt uitgebreid. Uitzondering hierop zijn het Protocol betreffende het verbod van het gebruik in de oorlog van stik-, gift-, of dergelijke gassen en van bacteriologische middelen van 1925,het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict van 1954 en het Verdrag van de Verenigde Naties van 1976 inzake het verbod van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken.

1977 : Een keerpunt in twee opzichten

De Aanvullende Protocollen I en II van 1977 bij de Verdragen van Genève van 1949 beperken zich niet tot het verankeren en uitdiepen van een aantal bepalingen van de Verdragen van Genève. Protocol I en (in veel mindere mate) Protocol II, dat van toepassing is op niet-internationale gewapende conflicten, bevatten ook een aantal regels en beginselen van het recht van Den Haag over oorlogvoering, die ze verder ontwikkelen en uitbreiden. Dat is een eerste keerpunt: het recht van Genève en het recht van Den Haag vinden aansluiting bij elkaar en verwijzen behoedzaam naar een gemoderniseerde versie van de Martens-clausule.
Tweede keerpunt: de Diplomatieke Conferentie die de Protocollen goedkeurde verrichte ook veel, zij het informeler, werk op het gebied van de beperking van conventionele wapens vanuit humanitair oogpunt. De Diplomatieke Conferentie steunde ook twee deskundigenconferenties die hieraan waren gewijd. Ze roept de Staten op deze werkzaamheden zo snel mogelijk te formaliseren en geeft zo een nieuwe impuls aan de uitbouw van het recht ter zake, niet vanuit het “eenvoudig” oogpunt van de ontwapening maar vanuit het oogpunt van het humanitair recht. 

« Conventionele » wapens  “die geacht worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidene werking te hebben” na 1977

Het is uitdrukkelijk vanuit deze invalshoek dat dus de onderhandelingen werden aangevat over het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidene werking te hebben, dat op 10 oktober 1980 in Genève werd goedgekeurd.
De meest recente ontwikkelingen in het verlengde van dit Verdrag maar ook het Verdrag van 1997 inzake de antipersoonsmijnen en het Verdrag van 2008 inzake clustermunitie hanteren dezelfde invalshoek.

Dogmatische uitlegging en codificatie van het IHR sinds 1977

De goedkeuring van de Aanvullende Protocollen van 19977 bij de Verdragen van Genève van 1949 bewerkstelligde ontegensprekelijk een grote vooruitgang op het gebied van het humanitair recht. Toch is het zo dat sommige punten nog duidelijk de invloed ondergaan van het gewoonterecht dat niet altijd duidelijk is of dat ze voor verschillende interpretaties vatbaar kunnen zijn. Door de komst van nieuwe of vrij onbekende actoren is het niet altijd duidelijk welk recht van toepassing is. Er werden dan ook tal van colloquia, rechtsleerartikelen, deskundigenvergaderingen aan deze punten gewijd. In dit verband dient melding te worden gemaakt van de volgende publicaties:

  • De Handleiding van San Remo over het internationaal recht dat van toepassing is op gewapende conflicten op zee, werd tussen 1988 en 1994 opgesteld door een groep deskundigen internationaal recht en scheepsdeskundigen onder auspiciën van het Instituut van San Remo. Een aantal bepalingen die erin vervat zijn kunnen worden gezien als ontwikkelingen op rechtsgebied. De meeste bepalingen in de Handleiding worden evenwel louter beschouwd als een opsomming van de rechtsbepalingen die thans van kracht zijn.
  • De studie van het ICRK naar het internationaal humanitair gewoonterecht van 2005 bevat een lijst met 161 regels internationaal humanitair gewoonterecht die zijn ingegeven door de praktijken van de Staten. Hoewel deskundigen het niet met alle bevindingen eens zijn, is deze studie ter zake toch een belangrijke bron. Met name het toepassingsgebied van het recht inzake niet-internationale gewapende conflicten wordt in deze studie aanzienlijk uitgebreid. Deze studie wordt nu onder de vorm van een database op de site van het ICRK voorgesteld, en zal geleidelijk updates ondervinden.  
  • Het Document van Montreux van 2008 bevat de relevante juridische verplichtingen en de goede praktijken die de Staten moeten in acht nemen met betrekking tot operaties van particuliere militaire en veiligheidsbedrijven in gewapende conflicten. Het werk is het resultaat van een gezamenlijk initiatief dat in 2006 door Zwitserland en het ICRK werd opgezet.
  • Het IHR stoelt op het beginsel dat een onderscheid maakt tussen soldaten en burgers, die worden geacht niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel te nemen en derhalve het recht hebben om tegen aanvallen te worden beschermd. Nadat deskundigen hierover zes jaar lang van gedachten wisselden en onderzoek deden naar deze kwestie, publiceerde het ICRK in 2009 een « Verklarende handleiding” die ten doel heeft de betekenis en de gevolgen van het begrip “rechtstreekse deelname aan de vijandelijkheden” uit het oogpunt van het IHR nader toe te lichten.
  • Sinds 2004 wordt gewerkt aan het HPCR-handboek inzake internationaal recht dat van toepassing is op conflicten in de lucht en raketten. Op 15 mei 2009 werd het werk in Bern door een groep internationale deskundigen goedgekeurd. In februari 2010 werd het voorzien van een slotcommentaar en op 4 maart van dit jaar in Brussel werd het voor het eerst formeel voorgesteld. Het «Program on Humanitarian Policy and Conflict Research at Harvard University » (HPCR) dat voor de samenstelling de methodologie hanteerde die werd gebruikt voor de San Remo Manual on International Law Applicable to Armed Conflicts at Sea,  beschouwt dit handboek als  een gezaghebbende codificatie van het gewoonterecht over deze materie.

 

Bestraffing van inbreuken op de regels van het recht inzake gewapende conflicten

Dit aspect van het recht inzake gewapende conflicten behoorde lange tijd tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale jurisdicties. Het Tribunaal van Nuremberg en het Tribunaal van Tokyo die onmiddellijk na WOII werden opgericht, vormden hierop lange tijd de enige uitzondering. Daar kwam pas verandering in met de oprichting  door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van het Internationaal Strafhof voor het voormalige Joegoslavië in 1993. Nadien volgden de oprichting door de Veiligheidsraad van het Internationaal Tribunaal voor Rwanda in 1994 en het Internationaal Tribunaal voor Sierra Leone in 2002.  Ook is het zo dat Cambodja na lange tijd onderhandelen over een samenwerkingsovereenkomst met de Verenigde Naties, in 2007 binnen zijn tribunalen Buitengewone Kamers oprichtte. Op basis van de samenwerkingsovereenkomst konden internationale juristen zitting hebben in deze Kamers.  Bedoeling hiervan was de daders van de genocide van 1975 te vervolgen. Inmiddels hechtte een internationale conferentie in 1998 haar goedkeuring aan het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof. Zoals kan worden vastgesteld heeft het IHR sinds 1993 tal van ontwikkelingen doorgemaakt inzake de bestraffing van inbreuken, een tot dan toe vrij “onontgonnen” gebied. Deze ontwikkelingen gelden ook voor de bestraffing van misdaden tegen de menselijkheid en voor de bestraffing van genocide. Het toepassingsgebied werd aldus uitgebreid omdat genocide een ruimer begrip is dat niet alleen verband houdt met gewapende conflicten.

België en de uitbouw van het IHR

België heeft altijd actief zijn steentje bijgedragen aan de uitbouw van het IHR en steunde de inspanningen ter zake van het ICRK. Reeds in de XIXe eeuw schaarde België zich achter de oprichting van de eerste Société Nationale de la Croix-Rouge, die het als een hulpinstantie van de Belgische overheid erkende. België hielp zodoende de grondslag te leggen voor het eerste Verdrag van Genève in 1864. Het trad op als gastland voor de Conferentie die aanleiding gaf tot de Verklaring van Brussel van 1874, de voorloper van het Verdrag van Den Haag van 1899 en van het Verdrag van Den Haag van  1907 betreffende de wetten en gewoontes van oorlogvoering op de grond. Ook nu nog is de inzet van België duidelijk zichtbaar en algemeen erkend : zijn inspanningen op het gebied van antipersoonsmijnen en clustermunitie zijn een voorbeeld, net zoals de inspanningen die het gedaan heeft om het Internationaal Strafhof en de bevoegdheden ervan te versterken.  

Specifieke links:

Teksten over IHR en IHR-verdragen op de site van het ICRK

Algemene links:

Links op de site diplomatie.be  :

Externe links: