Energie


De FOD Buitenlandse Zaken volgt de multilaterale diplomatie in internationale organisaties die bevoegd zijn voor energie, hetzij hoofdzakelijk (Internationaal Energieagentschap, Energieforum, Energiecharter, Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie), hetzij op aanvullende basis (VN, OVSE, NAVO en het Internationaal Atoomenergie Agentschap voor wat betreft burgerlijke consumptie). Onze FOD neemt deel aan de coördinatie met de federale en regionale instanties die bevoegd zijn voor de bepaling van het Belgisch standpunt en de Belgische strategie (overleggroep ENOVER/CONCERE).

De Directie M4 van de Directie-generaal voor Multilaterale zaken en voor de Mondialisering beschouwt de beleidsaspecten van het energiebeleid en de strategie om het te stroomlijnen als prioritair. Bijzondere aandacht gaat uit naar de aardgasvoorziening van België en de EU.

 

Internationaal Energieagentschap (Parijs)

Het Internationaal Energieagentschap (IAE) werd opgericht na de olieboycot van 1973, als zusterorganisatie van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), om de belangen van de olieconsumerende landen te beschermen. Het IEA verplicht zijn leden een voorraad aan te leggen die overeenkomt met het gemiddelde nationale gebruik gedurende 90 dagen en die in geval van crisis kan worden aangesproken. De organisatie verricht ook studies naar het energiebeleid van de leden.

Het IEA publiceert jaarlijks zijn ‘World Energy Outlook’ met beschouwingen over de ontwikkeling van de energiemarkt (in het bijzonder over aardolie en aardgas). Om de twee jaar wordt een ministeriële vergadering gehouden om de grote lijnen van het beleid vast te leggen.

De FOD Buitenlandse Zaken ziet erop toe dat het Belgische externe energiebeleid is afgestemd op het algemeen buitenlands beleid. Zo volgt het departement de commissies die specifiek belast zijn met de externe betrekkingen van het IEA, bijvoorbeeld met China en India.

 

Verdrag inzake het Energiehandvest (Brussel)

Dit verdrag bevat vooral de regels inzake doorvoer en handel enerzijds en de bescherming van buitenlandse investeringen in de energiesector anderzijds. Er is ook voorzien in een geschillenregeling. Omdat Rusland het verdrag niet heeft geratificeerd, moet het enigszins aan relevantie inboeten. Het Verdrag inzake het Energiehandvest ondergaat sinds januari 2020 een moderniseringsoperatie, die er met name op gericht is het Verdrag af te stemmen op de klimaatdoelstellingen van het akkoord van Parijs, door ook de investeringen in hernieuwbare energie te beschermen en door de uitfasering van fossiele brandstoffen voor te bereiden. 

 

Internationaal Energieforum (Riyad)

Het Internationaal Energieforum (IEF) is een internationaal platform voor overleg en dialoog op hoog niveau. Het IEF houdt om de twee jaar een ministeriële vergadering. Het Secretariaat brengt het ‘Joint Oil Data Initiative’ uit, waarmee het gegevens van de aardoliesector publiceert en aldus bijdraagt tot meer transparantie van de markt.

 

Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (Abu Dhabi)

Het Internationaal Agentschap voor hernieuwbare energie (IRENA) is een Duits initiatief dat de steun krijgt van de Verenigde Arabische Emiraten. Het werd officieel opgericht in Bonn, op 26 januari 2009. Het agentschap wil zich inzetten voor de promotie van een snelle omschakeling naar hernieuwbare energie op wereldvlak. Daarvoor wil het de bestaande kennis in kaart brengen, beleidsadviezen geven, de overdracht van technologie bevorderen en capaciteits- en onderzoeksversterking stimuleren. België werd in januari 2014 lid van het IRENA.

 

Sustainable Energy for All (SE4ALL)

Het VN-initiatief ‘Sustainable Energy for All’ (Hernieuwbare Energie voor Iedereen, afgekort tot SE4ALL) zet zich in voor een universele toegang tot energie en wil vooral de bevolkingsgroepen in de ontwikkelingslanden toegang tot energie geven. Het bijzondere aan dit initiatief is dat de energie uit hernieuwbare bronnen moet komen om een nieuwe breuklijn op milieugebied (na de industriële breuklijn) te voorkomen. Ontwikkelingslanden zouden namelijk geneigd kunnen zijn hun industriële achterstand op een milieuonvriendelijke manier bij te benen, terwijl de geïndustrialiseerde landen ijveren voor de omslag naar een koolstofarme samenleving.

 

Grondstoffen

De markt van de landbouwgrondstoffen kende vaak grote prijsschommelingen. Aangezien tal van ontwikkelingslanden voor hun inkomen sterk afhankelijk zijn van de export van grondstoffen, hadden de prijsschommelingen geregeld nadelige gevolgen voor hun ontwikkeling. De productie van basisproducten en halffabricaten is bepalend voor het inkomen en de levensomstandigheden van miljoenen mensen die evenwel op dit niveau geen beslissende invloed kunnen uitoefenen.

In het kader van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) werden in de jaren 1970 een aantal overeenkomsten gesloten voor de oprichting van productorganisaties, met als doel de prijzen te stabiliseren via mechanismen van exportquota en buffervoorraden. Aangezien de werking van die quotamechanismen hoe langer hoe meer ter discussie stond, werden ze geleidelijk opgeheven.

De overeenkomsten en organisaties bestaan wel nog steeds. Ze werden echter mettertijd omgevormd tot fora waar de producerende en verbruikende landen samenkomen om informatie uit te wisselen over de internationale productenmarkt en om verschillende specifieke thema’s te bespreken, zoals duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, het streven naar betere werkomstandigheden of het ontbossingsprobleem, enzovoort.

Dit zijn de internationale grondstoffenorganisaties (IGO's):

  • de Internationale Koffieorganisatie (ICO), Londen
  • de Internationale Cacao-organisatie (ICCO), Abidjan
  • de Internationale Organisatie voor Tropisch Hout (ITTO), Yokohama
  • de Internationale Organisatie voor Granen (IGC), Londen
  • de Internationale Organisatie voor Suiker (ISO), Londen
  • de Internationale Organisatie voor Wijnbouw en Wijnbereiding (OIV), Parijs
  • de Internationale Studiegroep voor Rubber (IRSG), Singapore
  • de Internationale Raad voor Olijfolie (IOC), Madrid
  • het Internationaal Raadgevend Comité voor Katoen (ICAC), Washington
  • de Internationale Studiegroep voor Koper (ICSG), Lissabon
  • de Internationale Studiegroep voor Lood en Zink (ILZSG), Lissabon
  • de Internationale Studiegroep voor Nikkel (INSG), Lissabon
  • het Internationaal Netwerk voor Bamboe en Rotan (INBAR), Beijing

België is lid van deze organisaties, hetzij rechtstreeks, hetzij via de Europese Unie (groep grondstoffen - PROBA), met uitzondering van de Studiegroep voor Nikkel en het Internationaal Netwerk voor Bamboe en Rotan.

Sinds het Klimaatakkoord van Parijs (2015) is duurzaam grondstoffenbeheer verankerd in de visie van alle grondstoffenorganisaties. De aandacht voor het thema ging ook gepaard met een verhoogde waakzaamheid voor daarmee samenhangende thema's zoals de strijd tegen kinderarbeid, de strijd tegen ontbossing of het streven naar meer transparantie in de grondstoffensector, met name via een traceerbaarheidssysteem (Extractive Industries Transparence Initiative en beginselen van het stelsel van zorgvuldigheidseisen van de OESO). Beter beheer, een grotere transparantie en de bestrijding van illegale ontginning zijn immers nauw verweven met conflictpreventie.