Corona en consoorten: vanwaar komen ze?

 

Gepubliceerd op 8 mei 2020

Luchtfoto ontbossing
Door ontbossing en toenemende landbouw ontstaat veel meer bosrand. Foto: ontbossing voor rubber- en palmolieplantages (© Shutterstock)

 
Waar komen ziekteverwekkers zoals het nieuwe coronavirus vandaan? En waarom groeien ze zo makkelijk uit tot een pandemie? We zochten het voor u uit.

Plots houdt een virus de hele wereld in zijn greep. De economie ligt op apegapen en miljarden mensen zien zich verplicht “in hun kot” te blijven. Het kwam als een donderslag bij heldere hemel.

Of toch niet? De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) waarschuwt al jarenlang voor “Ziekte X”. Ook Kevin Ariën, viroloog aan het Instituut Tropische Geneeskunde (ITG), zegt al jaren aan zijn studenten dat een dergelijke pandemie er zit aan te komen.

Bovendien maakt het concept “One Health” sinds de jaren 2000 stilaan opgang: een holistische visie die de gezondheid van mensen, dieren en ecosystemen als één geheel ziet. Met precies de bedoeling om pandemieën te voorkomen. ‘Ook op het ITG proberen we dat principe toe te passen’, zegt Ariën.

 
Zoönose

Dat de gezondheid van mensen en dieren samenhangt, is zeker niet uit de lucht gegrepen. Van alle nieuwe infectieziektes in de voorbije 60 jaar blijkt twee derde tot drie vierde afkomstig van dieren! Denk aan ebola, aids, MERS, SARS… (zie verder). Ook COVID-19, de ziekte veroorzaakt door het huidige coronavirus SARS-CoV-2, is een “zoönose”: een infectieziekte waarbij de ziekteverwekker oversprong van dier naar mens.

SARS-CoV-2 is mogelijk afkomstig uit een vleermuis, met name een Chinese hoefijzerneus. ‘In die vleermuizen vond men een coronavirus met een genoom dat 96% gelijk was aan dat van het SARS-CoV-2’, zegt Ariën. ‘Maar waarschijnlijk is dat virus eerst verder geëvolueerd in een tussengastheer die dichter bij de mens staat. We zagen dat ook bij het vorige coronavirus SARS-CoV-1 dat SARS veroorzaakte: dat maakte een ommetje via civetkatten. Het MERS-virus sprong van een vleermuis eerst naar een kameelachtige alvorens het bij de mens terechtkwam. Voor SARS-CoV-2 zou dat het schubdier kunnen geweest zijn. Deze dieren zijn zeer gegeerd in China, omwille van de geneeskracht van hun schubben maar ook als vlees.’
 

Schubdier
Mogelijk fungeerde het schubdier als tussengastheer voor SARS-CoV-2. Schubdieren zijn zeer gegeerd in China, voor de geneeskracht van de schubben, maar ook als vlees (© Shutterstock)

 
Wildmarkt

Vooral de “wet market” in Wuhan wordt met de vinger gewezen als dé plek waar het nieuwe coronavirus op de mens is overgesprongen. Voor alle duidelijkheid, wet markets zelf zijn, een beetje zoals bij ons, grote markten waar je van alles kan kopen: fruit, groenten, vers vlees en vis, kruiden en specerijen… De echt risicovolle plekken zijn de “wildmarkten” waar levend wild wordt aangeboden zoals dassen, bamboeratten, stekelvarkens, civetkatten, schorpioenen, schildpadden, vleermuizen, noem maar op. ‘De kooien staan op en naast elkaar gestapeld waarbij uitwerpselen en urine van het ene dier op het andere vallen. Als de dieren geslacht worden, vliegen de bloedspetters in het rond. Een levend labo voor virussen’, zo omschreef zoöloog Herwig Leirs (UAntwerpen) het onlangs in MO*. Niet alleen de consumptie van wilde dieren, maar ook het contact met urine, uitwerpselen en bloed kan tot besmetting leiden.

‘Dergelijke wildmarkten zijn populair in China en andere Aziatische landen’, zegt Ariën. ‘Ze liggen zeker aan de basis van zoönosen zoals de vogelgriep. Toch ligt het bij het huidige coronavirus wat complexer. Bij de eerste 50 gevallen waren er namelijk 14 die niet gelinkt konden worden aan die wildmarkt in Wuhan. Maar de markt speelde zeker een rol als steekvlam.’

Het contact met (wilde) dieren zit in veel culturen ingebakken. Ariën: ‘In Afrika, maar ook in Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika, zijn miljoenen mensen voor hun eiwitten afhankelijk van (wilde) dieren, het zogenaamde bushmeat of vlees uit het woud. In die landen is een levend dier kopen soms de enige garantie op vers vlees. Een levende kip bijvoorbeeld die ze nog een week laten rondlopen alvorens ze te slachten. Dat biedt natuurlijk de mogelijkheid van overdracht van ziektekiemen op de mens.’

Daar komt bij dat ook rijkere stedelingen graag een stukje wild verorberen. ‘Vroeger werd bushmeat alleen verkocht in lokale gemeenschappen’, zegt Leirs. ‘Tegenwoordig is het ook een delicatesse voor rijke stedelingen. De dieren worden over grote afstanden vervoerd en binnengebracht in miljoenensteden, samen met de ziekten die ze meedragen. Daar kunnen ze zich makkelijk verspreiden.’
 

een jager jaagt op wild in Yangambi
“Woudvlees” is voor velen een bron van voedsel en/of inkomen. Foto: een jager jaagt op wild in Yangambi, DR Congo (© Axel Fassio/CIFOR)

 
Ontbossing

Ontbossing speelt zeker een rol. Ariën: ‘Door bossen te kappen, drijf je wilde dieren uit hun habitat of moeten ze samentroepen in kleinere biotopen. Daardoor komen ze meer in contact met elkaar en groeit dus de kans dat ziektekiemen worden overgedragen.’

Door ontbossing ontstaat steeds meer een gefragmenteerd landschap, ook in Afrika. Wat overblijft – buiten de beschermde parken – zijn eilandjes van bos in een zee van landbouwgrond, naast gebieden waar de landbouwgrond in bossen doordringt. Daardoor komt er veel meer bosrand voor en zo ontstaat er meer kans dat mensen in contact komen met wilde dieren zoals apen. Ze gaan bijvoorbeeld in de bosjes op zoek naar paalachtige boompjes om er iets mee te bouwen.

Maar ook de jacht op woudvlees brengt mensen vaker in het bos. Een weg door een bos zorgt voor ontsluiting maar vormt meteen een kans op meer contact. Hetzelfde geldt voor dorpen die ontstaan in voorheen wilde gebieden. ‘Inheemse gemeenschappen hebben door de tijd immuniteit opgebouwd’, verduidelijkt Leirs. ‘Maar tegenwoordig reizen arbeiders van elders om een weg aan te leggen of om grondstoffen te ontginnen in een regenwoud. Die mensen zijn niet immuun. Bovendien kunnen ze een virus of bacterie meenemen als ze naar huis terugkeren.’

Vooral vleermuizen en knaagdieren kunnen zich vrij gemakkelijk vanuit ontboste gebieden verplaatsen en zich aanpassen aan gebieden met menselijke bewoning. Zo worden vleermuizen soms aangetrokken door fruitboomgaarden. ‘Dat was het geval voor het nipahvirus in Maleisië (1999). Fruitvleermuizen voedden er zich met doerian en ramboetan. Hun uitwerpselen en urine besmetten de varkens die in de boomgaarden liepen, de varkens gaven het virus op hun beurt door aan de mens’, meldde Olivier Honnay, conservatiebioloog aan de KULeuven, onlangs in EOS.

 
Klimaatverandering

Klimaatverandering speelt eveneens een rol bij de verspreiding van nieuwe zoönosen. ‘Je ziet de impact duidelijk bij ziekten die overgedragen worden door muggen en andere insecten’, zegt Ariën. ‘Zogenaamde tropische ziekten als zika, dengue en chikungunya komen meer en meer voor in de Westerse wereld. Zo heeft de Aziatische tijgermug zich gevestigd in Zuid-Europa. Door het warmere weer voelt die mug zich daar perfect thuis.’

 
Intensieve veeteelt

Ook intensieve veeteelt kan aanleiding geven tot meer zoönosen. Herwig Leirs legt uit. ‘Als een beperkt aantal dieren bij elkaar zitten, kan een toevallig virus zich minder makkelijk verspreiden. Stel dat ik 5 kippen heb en er vliegt een vogel over die iets laat vallen. Een van de kippen kan mogelijk besmet raken. Maar meestal doet een virus het aanvankelijk niet zo goed in een nieuwe gastheersoort en ontstaat er natuurlijke selectie voor meer efficiënte vermenigvuldiging. Als het aangepaste virus zich niet kan verspreiden tegen dat die eerste kip geneest of sterft, dan verdwijnt de infectie. En ze heeft sowieso maar 4 kansen om in een andere kip verder te evolueren.’

‘Maar als er massaal veel dieren bijeen troepen, is de kans veel groter dat er een in contact komt met het vreemde virus. Het kan ook makkelijker overspringen op andere dieren. En telkens als het virus zich vermenigvuldigt, kunnen er foutjes – mutaties – optreden in het erfelijk materiaal. Het merendeel van deze fouten leidt tot minder efficiënte vermenigvuldiging. Maar de mutaties die een voordeel bieden voor de vermenigvuldiging, worden er snel uitgeselecteerd. Het virus heeft dus door intensieve veeteelt veel mogelijkheden om te evolueren en zich beter aan de nieuwe gastheer aan te passen.’

‘Omdat er meer dieren zijn, heeft de mens meer kans om met besmette dieren in aanraking te komen. Daar komt bij dat gekweekte dieren vaak minder goed bestand zijn tegen infecties. Ze werden immers gefokt om bijvoorbeeld snel vlees aan te maken of veel eieren of melk te produceren. Daardoor zijn ze minder in staat om een ziekteverwekker te doden, ze worden makkelijker ziek. Daar worden dan antibiotica tegen gebruikt, maar die selecteren dan weer resistente bacteriën die op hun beurt nieuwe ziekten kunnen veroorzaken.’
 

Mumbai
Grote steden vormen een fantastisch biotoop voor een virus om zich vliegensvlug te verspreiden. Foto: Mumbai (© Shutterstock)

 
Reizen en gigasteden

Waarom kan een nieuwe ziekteverwekker vandaag sneller uitgroeien tot een pandemie of wereldwijde epidemie? Ariën: ‘Aan de laatste grote pandemie, de Spaanse griep in 1918 en 1919, stierven 20 à 50 miljoen mensen wereldwijd. Toch was dat nog een heel andere wereld. De mensen verplaatsten zich nog hoofdzakelijk te voet, met de fiets of met paard en kar. Er leefden 1,7 miljard mensen tegenover bijna 8 miljard vandaag. Voor internationale handel en individuele reizen vliegen er dagelijks honderdduizenden vliegtuigen de wereld rond. Op die manier kon SARS-CoV-2 zich op een paar dagen tijd vanuit China over de hele wereld verspreiden!’

Daarnaast hokken we meer en meer samen in grote steden. Ariën: ‘In 1918 leefde de bevolking nog veel meer verspreid op het platteland. Vandaag bestaan er al tientallen gigasteden, vooral in Azië, West-Afrika en Latijns-Amerika. Verschillende onder hen hebben meer dan 20 miljoen inwoners. Europese steden staan zelfs niet meer in de top 25. Grote steden vormen vanzelfsprekend een fantastisch biotoop voor een virus om zich vliegensvlug te verspreiden. Een van de redenen waarom het nieuwe coronavirus minder fel toeslaat in Scandinavië, is precies omdat men daar nog heel verspreid woont.’

 
Oplossingen

Er bestaat dus een cocktail aan factoren die allemaal mee het ontstaan van een pandemie bespoedigen: ongebreidelde bevolkingsgroei die noopt tot samenhokken in steden en vernietigen van natuur uit nood aan ruimte, armoede en honger, culturele gewoontes, intensieve veeteelt en de internationale handel- en reismicrobe.

Deze onderliggende oorzaken verwijzen meteen naar mogelijke oplossingen. Ariën: ‘We moeten duidelijk anders omgaan met onze leefomgeving. Dieren moeten meer ruimte krijgen en we mogen er niet te veel mee interfereren. Anders moeten we er de ziekteverwekkers bijnemen!’

Olivier Honnay stelt voor om bufferzones (zoals boomkwekerijen of herbebossingsprojecten) aan te leggen tussen natuurlijke habitats met wilde dieren en gebieden met menselijke bewoning. Zo beperk je het risico op contact tussen mens en dier. Door de toeleveringsketens van landbouwproducten als soja en palmolie duurzamer te maken, moeten minder bossen sneuvelen.

Het lijkt ook essentieel om wildmarkten en de handel in wilde dieren aan banden te leggen (zie kader “exotische dieren”). Eind januari vaardigde China alvast een tijdelijk verbod uit op verkoop van wilde dieren. ‘Maar dan raak je wel aan cultureel diepgewortelde gewoonten’, zegt Ariën. ‘Hetzelfde geldt voor het woudvlees in Afrika. Dat lijkt me vooral veel werk voor antropologen die moeten uitzoeken hoe ze de mensen kunnen overtuigen.’ De landbouwproductiviteit verhogen zodat er minder behoefte is aan woudvlees of zorgen voor alternatieve inkomens kunnen helpen. Bedenk dat in China bijvoorbeeld minstens 14 miljoen mensen hun brood verdienen in de handel in, kweek van en jacht op wilde dieren.

 

De internationale handel in exotische dieren

De internationale handel in exotische dieren blijkt een van de grootste en meest complexe markten in de wereld. In een poging om die markt te controleren, heeft de internationale gemeenschap een verdrag uitgewerkt: CITES of Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora. Dat omvat 5800 diersoorten en 30.000 plantsoorten die enkel onder strikte voorwaarden mogen verhandeld worden.

Maar dat blijkt heel moeilijk af te dwingen. Zelfs in België komt heel wat illegaal woudvlees terecht, naast levende dieren (vaak reptielen) en illegaal vlees van niet-beschermde diersoorten, runderen en kleinvee. Daarom pleit Erik Verheyen, bioloog aan het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en de UAntwerpen, voor veel striktere controles in alle internationale invoerpunten (luchthavens, havens …).

‘Daarnaast moeten de liefhebbers van wilde dieren meer bewust worden van de gevolgen van hun keuze’, zegt Verheyen. ‘Sommigen houden de diersoorten uit liefhebberij, anderen vinden hen een lekkernij. Maar zo dragen ze wel bij tot het uitsterven van bedreigde diersoorten, én vergroot het risico op de invoer van ziekteverwekkers. Er staan weliswaar duidelijke financiële straffen op, maar potentiële overtreders zijn er vaak niet van op de hoogte. De straffen worden trouwens uiterst zelden uitgevoerd. De luchtvaarmaatschappijen ten slotte zouden hun klanten moeten sensibiliseren met posters en brochures.’ Ook reizigers mogen geen illegale souvenirs meebrengen (zie kader “advies aan reizigers”).
 

markt met illegale bedreigde dieren in Myanmar
Ondanks het internationale verdrag CITES blijft heel wat wild door de mazen van het net glippen. Foto: markt met illegale bedreigde dieren in Myanmar (© Dan Bennett/Flickr)

 

Ook de bevolkingsgroei tegengaan is een piste en dat kan het best door emancipatie van jonge vrouwen. Herwig Leirs stipt onze grote consumptie van dierlijke producten aan. ‘Kunnen we het niet met minder vlees stellen zodat we de dieren op een extensievere manier kunnen kweken? Vandaag kappen we bossen om runderen te laten grazen of om het vrij gemaakte terrein in te zaaien met soja voor veevoer. Als we minder vlees verbruiken, daalt de druk om bossen te vernietigen.’

 
Early warning

Maar zelfs in een ideale wereld waarin we veel voorzichtiger omgaan met dieren, vallen nieuwe ziektes niet uit te sluiten. Daarom houdt Kevin Ariën een krachtig pleidooi voor preventie. ‘We moeten veel meer investeren in vroege detectie en waarschuwing (early warning). Een beetje te vergelijken met de boeien die men na de tsunami overal in de oceanen heeft gelegd. Zij kunnen lang genoeg op voorhand waarschuwen dat er een vloedgolf op komst is. Iets gelijkaardigs kunnen we invoeren voor virusuitbraken. Technisch is dat mogelijk. Tot nu toe zijn we altijd rijkelijk te laat.’

‘Maar daar heb je wel de middelen en de uitrusting voor nodig. En je moet goed opgeleide mensen hebben. In de DR Congo bijvoorbeeld wordt er weinig geïnvesteerd in de volksgezondheid, en dan nog eerder in de reactie op een ziekte zoals een vaccin. Maar bitter weinig in preventie. Men ziet nog te weinig het belang daarvan in. Het klopt dat er miljarden euro nodig zijn om vroege diagnoses te kunnen stellen. Maar de huidige uitbraak zal ons stukken meer kosten!’

‘We zien het keer op keer. Na SARS werd wereldwijd volop onderzoek opgestart naar coronavirussen. We wisten dat daar gevaarlijke klanten tussen zaten. Maar na enkele jaren werd veel van de financiering weggetrokken. Het gevoel dat het nodig was, was weggeëbd. Ik maak me geen illusie dat we ook na deze corona-pandemie weer in de oude routine zullen vervallen. Toch zouden we de huidige crisis moeten aangrijpen om het in het vervolg beter aan te pakken.’

 

Advies voor reizigers

Wie een verre reis wil ondernemen, wordt dringend aangeraden om voorafgaand  een bezoek te brengen aan een gespecialiseerde reiskliniek zoals het ITG. Een lijst van Belgische centra vind je hier. Doel: de reiziger professioneel informeren over actuele gezondheidsrisico’s, specifiek voor de geplande reisbestemming en het reistype. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met de gezondheid en de conditie van de reiziger. Op basis daarvan kan hij aangepast advies krijgen over wat te doen bij ziekte tijdens of na de reis. De ITG-app Wanda kan daarbij goed dienst doen, maar vervangt geen raadpleging voor je op reis vertrekt.

Vanzelfsprekend dient de reiziger de bestaande wetgeving te respecteren en mag hij geen illegale souvenirs meenemen zoals bedreigde dieren of planten. Binnen de EU mag je trouwens geen planten of plantendelen vanuit niet-EU-landen binnen de EU brengen, tenzij voorzien van een erkend "fytosanitair certificaat". De uitzonderingen zijn: ananas, dadels, bananen, kokosnoot en doerian.

Meer algemene tips: 17 tips voor duurzaam reizen