Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid: op strategisch vlak

 

De Verklaring van St Malo van 1998 gaf het startsein voor de ontwikkeling van het Gemeenschappelijk Veiligheids- en Defensiebeleid (GVDB). De EU moest over de nodige militaire middelen beschikken om een geloofwaardig Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) te kunnen onderbouwen. België heeft hieraan steeds toegevoegd dat een sterk GVDB, naast de militaire macht van de Verenigde Staten, de tweede basispijler vormt van een slagvaardige NAVO en daarmee bijdraagt tot een evenwichtige dialoog binnen het Transatlantische partnerschap.

Mede dankzij de Europese Veiligheidsstrategie van december 2003 werd het EVDB in een ruimer perspectief geplaatst. België sluit zich aan bij de visie dat de inzet van militaire middelen van het EVDB slechts één optie vormt in de waaier van instrumenten waarover de EU beschikt voor zijn buitenlands beleid. Het is precies door deze verscheiden aanpak dat de EU beter is uitgerust dan bijvoorbeeld de NAVO om de opeenvolgende fases in een crisisbeheersingsproces (van preventie tot stabilisatie en reconstructie) aan te pakken.

Het Verdrag van Amsterdam, dat op 1 mei 1999 in werking trad, beoogt de verdere uitbouw van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB), met inbegrip van de geleidelijke uitbouw van een gemeenschappelijk defensiebeleid. Het Europese Veiligheidss- en Defensiebeleid (EVDB) vereist dat dat de EU autonoom kan optreden. Daarvoor is het nodig dat de lidstaten militairen, politiemensen, magistraten etc. ter beschikking stellen van militaire en civiele missies.  Tegelijk moet de EU een aangepaste besluitvorming ontwikkelen om de missies mogelijk te maken.

Op de Europese Raden van Keulen en Helsinki (1999) beslisten de Vijftien om een snelle interventiemacht op te richten die op korte tijd 60 000 man kan mobiliseren om gedurende 1 jaar te velde te blijven. Deze interventiemacht moet bij machte zijn alle zogenaamde Petersbergtaken te vervullen:

  • humanitaire en reddingsopdrachten;
  • vredeshandhavingsopdrachten;
  • opdrachten van strijdkrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede.

De Europese Raad van Feira (juni 2000) besliste verder een politiemacht voor internationale opdrachten op de been te brengen. Onder Belgisch Voorzitterschap, in de tweede helft van 2001, vervolledigde de Unie de structuren en de procedures van het EVDB. Op de Europese Raad van Laken verklaarde de Unie zich operationeel en dus in staat om  crisisbeheersingstaken uit te voeren.

Militair én civiel

De militaire EVDB bereikte inmiddels stapsgewijs een niveau van samenwerking en integratie, dat men zich 5 jaar geleden nog moeilijk kon voorstellen: een eigen capaciteit voor het plannen en leiden van operaties, multinationale Battle Groups, een fonds voor het financieren van gemeenschappelijke kosten van operaties, een Europees Defensie Agentschap en een Europees Veiligheids- en Defensiecollege. België en de andere deelnemers aan de Defensietop van 29 April 2003 hebben een dynamiek op gang gebracht, die op korte tijd het EVDB fors vooruit heeft geholpen.

Deze wending ging gepaard met het groeiend besef dat de EU met militaire middelen alleen weinig vermag tegen de nieuwe dreigingen van terrorisme, georganiseerde misdaad en massavernietigingswapens. Vandaar dat ook in veiligheidsaangelegenheden, steeds meer wordt uitgekeken naar de inzet van civiele middelen (politie, civiele bescherming, rechters, douaniers) bij crisisbeheersing. Tenslotte worden ook andere EU instrumenten zoals diplomatie, immigratiebeleid, strijd tegen georganiseerde misdaad, handels- en ontwikkelingsbeleid etc. aangewend.