Clustermunitie - het Oslo-Verdrag

 

Het referentie instrument bij uitstek op vlak van clustermunitie is het Verdrag rond Clustermunitie, ofwel het “Osloverdrag”, dat op 30 mei 2008 door 107 staten werd aangenomen en op 1 augustus 2010 in werking trad. Het Verdrag telt 100 verdragsluitende staten waaronder alle lidstaten van de EU. Niet alle staten die het Verdrag getekend hebben, legden hun ratificatie-instrument reeds neer.

België ondertekende het Verdrag op 3 december 2008 en ratificeerde het op 22 december 2009.

Het Verdrag definieert clustermunitie als “elke conventionele munitie die ontworpen is om explosieve submunities die elk minder wegen dan twintig kilogram te verspreiden of los te laten”.

De humanitaire gevolgen van clustermunitie zijn tweeërlei:

  • enerzijds wordt tijdens de aanval een heel gebied besmet zonder onderscheid tussen burgers en militaire doelwitten (=niet onderscheidend effect);
  • anderzijds blijven daarna ontplofbare resten achter die burgers na het conflict kunnen doden of verwonden. De niet-ontplofte wapens belemmeren bovendien de terugkeer van de bevolking naar het gebied en de hervatting van de economische activiteit (=effect van resten van clustermunitie in post-conflict zones).

Clustermunitie werd in de Tweede Wereldoorlog en in verschillende oorlogen gebruikt, maar de afgelopen jaren werd het legitieme gebruik ervan in vraag gesteld.

In 2006 was België het eerste land dat een verbod op clustermunitie in zijn wetgeving opnam. Dit verbod is verankerd in de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (de “Wapenwet”). Daarin wordt clustermunitie naar analogie met antipersoonsmijnen ingedeeld in de categorie van verboden wapens (artikel 2, punt 4°).

Om de zaken vooruit te helpen besliste een groep van landen om het voortouw te nemen. Eind 2006 werd een nieuw onderhandelingsproces op gang gebracht waaraan België actief deelnam. Zo vond er op 30 oktober 2007 een regionale vergadering plaats in Brussel. Tijdens de onderhandelingen verdedigde België het standpunt dat er nood was aan een juridisch bindend internationaal instrument waarin de lat hoog wordt gelegd om de civiele bevolking in de betrokken gebieden effectief te beschermen. Het was dus ook belangrijk dat een voldoende aantal Staten meewerkte, onder wie producerende landen en landen die in het bezit zijn van voorraden clustermunitie. De doelstellingen van de onderhandelingen werden ruimschoots gehaald.

Het Verdrag verbiedt clustermunitie en legt aan de verdragsluitende staten de verplichting op om:

  • hun voorraden te vernietigen;
  • de besmette gebieden te ontmijnen binnen bepaalde termijnen;
  • hulp te bieden aan de slachtoffers van clustermunitie.

Elke verdragsluitende staat die daartoe in staat is, moet ook technische, materiële en financiële hulp bieden aan de getroffen verdragsluitende staten.

Het Verdrag bevat heel concrete bepalingen over slachtofferhulp die een grote vooruitgang betekenen. Elke verdragsluitende partij is verplicht hulp te verlenen aan slachtoffers van clustermunitie in de gebieden die onder haar rechtsmacht of zeggenschap vallen. Onder “slachtoffers van clustermunitieworden alle personen verstaan die rechtstreeks de gevolgen van het gebruik van clustermunitie ondervonden, maar ook hun familie en gemeenschap die leden onder sociaaleconomische en andere gevolgen.