Viering 50 jaar ngo's en Belgische Ontwikkelingssamenwerking

Dames en Heren,

Toen ik vorige week als minister van Ontwikkelingssamenwerking begon, was het één van mijn eerste voornemens om zo snel mogelijk onze partners voor Ontwikkelingssamenwerking te ontmoeten.

Maar ik  had nooit kunnen denken dat ik zó snel zó velen van jullie zou ontmoeten. Meer nog: jullie waren mij voor. In plaats van dat ik jullie uitnodigde, kwam de uitnodiging mijn kant uit. Waarvoor bijzondere dank. Het geeft ons de gelegenheid om vanavond uitgebreid met elkaar kennis te maken.

Ik ga mijn tussenkomst dan ook beperkt houden. Zo hebben we meer tijd voor echte ontmoeting.

Maar laat mij toch kort een drietal punten aanstippen:

1) Het belang van de ngo’s

De federale regering hecht groot belang aan de samenwerking met de civiele maatschappij en met ngo’s in het bijzonder.

Il y a tout juste cinquante ans, le 24 septembre 1964, le roi Baudouin signait le premier arrêté royal qui subventionnait les activités des ONG. Il ouvrait ainsi la voie à un intense partenariat (qui se poursuit toujours).

Cet arrêté royal régissait non seulement les allocations et la protection sociale données aux volontaires pour leur séjour à l’étranger, mais il prévoyait aussi l’agrément officiel d’un certain nombre d’ONG, en tant que partenaires et acteurs de la coopération au développement belge.

Cinquante ans plus tard, plus de 100 ONG perçoivent des subsides issus du budget de la coopération au développement belge, subsides qui représentent environ 15% du budget dont j’assume la gestion depuis maintenant une semaine.

Onze gezamenlijke geschiedenis van intussen vijftig jaar bewijst het belang dat we als Belgische Ontwikkelingssamenwerking hechten aan samenwerking met de niet-gouvernementele organisaties. De inspanningen die de ngo’s leveren zijn complementair aan het engagement van de overheid, en daarom belangrijk. Dat is ook de reden waarom het nieuwe federale regeerakkoord de belangrijke rol van de ngo’s uitdrukkelijk bevestigt.

Het is ook de reden waarom ik op mijn allereerste dag als minister van Ontwikkelingssamenwerking, enkele uren nadat ik voor Z.M. de Koning de eed aflegde, op bezoek ging bij een actie van één van de ngo’s.

Je me réjouis d’ailleurs de renouveler de telles visites dans les semaines et les mois à venir. En effet, cela nous donne l’occasion de mener ensemble une réflexion afin d’amplifier l’impact de notre pays (dans la coopération). En conjuguant nos efforts au niveau des pouvoirs publics et votre engagement sur le terrain au niveau des ONG, comment pouvons-nous encore mieux faire la différence vis-à-vis des personnes les plus vulnérables ?

Et j’en viens ainsi à mon deuxième point : la professionnalisation de notre coopération.

2) Professionnalisation

Notre histoire commune dont nous fêtons le cinquantième anniversaire est aussi marquée par une professionnalisation toujours plus importante. Nous voulons poursuivre cette professionalisation et la consolider dans les années à venir. Comment ? En mettant en place une nouvelle procédure d’agrément qui applique des critères de qualité, de gestion et de résultats. Avec à la clé une efficacité accrue de l’aide, une simplification des procédures administratives, et donc moins de tracasseries administratives pour les ONG.

De wereld evolueert snel. Het internationale denken over ontwikkeling ook. Volgend jaar in september zullen we in New York een ambitieuze agenda voor duurzame ontwikkeling goedkeuren voor de volgende twee decennia.

Het is mijn overtuiging dat de Belgische ontwikkelingssamenwerking mee moet evolueren. We moeten ons aanpassen aan de nieuwe internationale evoluties,  we moeten aansluiting zoeken bij nieuwe inzichten en antwoorden formuleren op nieuwe uitdagingen.

Met andere woorden, het Belgische ontwikkelingsbeleid moet zich hervormen. En dat geldt ook voor de niet-gouvernementele samenwerking.

En zo kom ik tot mijn derde en laatste punt: laat ons dit in overleg doen.

3) Belang van overleg

Laat ons samen in overleg nagaan hoe we de kwaliteiten en resultaten van onze ontwikkelingssamenwerking de volgende jaren versterken.

We zullen dat moeten doen tegen de achtergrond van een moeilijke budgettaire situatie. Tegen 2018 moet de totale federale overheid een bijzondere zware budgettaire inspanning leveren van meer dan 11 miljard. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat we ook op het vlak van ontwikkelingssamenwerking keuzes zullen moeten maken. Dit is geen gemakkelijke oefening, maar als we dit in overleg doen, kan de Belgische Ontwikkelingssamenwerking daar sterker uitkomen.

Attention, cela ne signifie pas que notre pays renonce à ses engagements en matière de coopération au développement. Au contraire, j’ai la conviction que nous pouvons améliorer la qualité et les résultats, en donnant un nouveau cap à la politique de coopération au développement belge.

Notre ambition doit être de faire peser davantage encore la coopération au développement belge à l’avenir. La réussite de ce projet ne repose pas seulement entre mes mains… mais entre nos mains. Elle réside dans notre capacité à nous concerter sur la façon dont nous pouvons faire la différence sur le terrain en faveur des plus vulnérables.

Je me réjouis de voir que les ONG et mon administration, la Direction générale Coopération au développement et Aide humanitaire, la DGD, profitent déjà de cet anniversaire, pour réfléchir ensemble à la façon dont nous pouvons concevoir la coopération non-gouvernementale dans les années à venir. J’ai la certitude que cette journée de réflexion donnera un élan majeur aux réformes que je viens d’évoquer.

En ook al zullen we de volgende jaren keuzes moeten maken en prioriteiten bepalen. Ik zal er altijd ook over waken dat we – vooral – niet vergeten dat ontwikkelingssamenwerking in de eerste plaats over mensen gaat.

Om de mensen die zich inzetten, vaak belangeloos en vrijwillig. En om de mensen wiens kansen en levenssituatie we willen verbeteren.

Dat zal de volgende jaren mijn leidraad zijn. Dat is het engagement dat ik hier vanavond wil geven.

Rest mij nog het voorrecht om samen u het glas te hebben op de vruchtbare voorbije samenwerking van de voorbije vijftig jaar. Én op een uitdagende en boeiende toekomstige samenwerking de volgende vijftig jaar – maar laat ons als beginnen met de eerste vijf jaar die voor ons liggen.