Leefmilieu

Leefmilieu is een van de vijf pijlers van de Agenda 2030 en haar duurzame ontwikkelingsdoelen (SDG’s) en neemt ook meer en meer een centrale rol in binnen de Verenigde Naties. Hieronder volgt een korte inleiding van dit beleidsthema.

Klimaat

In 1992 werd tijdens de VN-Conferentie over Milieu en Ontwikkeling in Rio, het VN-Kaderverdrag inzake Klimaatswijziging overeengekomen. Dat VN-klimaatverdrag bindt de strijd aan tegen de klimaatverandering, die wordt veroorzaakt door het door de mens versterkte broeikaseffect.
  1. Nog steeds geldig op
  2. Laatst bijgewerkt op

Het uiteindelijke doel van het Verdrag is de concentratie aan broeikasgassen in de atmosfeer te stabiliseren op zo’n niveau dat er geen gevaarlijke wijzigingen in het klimaatsysteem optreden. België ratificeerde het Verdrag op 16 januari 1996. In 1997 werd het Kaderverdrag aangevuld met het Kyoto Protocol dat kwantitatieve reductiedoelstellingen bevat voor ontwikkelde landen.

Meer informatie over klimaatverandering en het VN-klimaatverdrag vindt u op de website van FOD Leefmilieu.

Een belangrijke mijlpaal voor dit verdrag is de aanname van het Akkoord van Parijs.

Het Akkoord van Parijs trad in 2016 in werking en op mondiaal vlak werd het vervolledigd met een multilateraal regelgevend kader dat volledig werd afgerond op COP26 in Glasgow.

Alle partijen bij het VN-klimaat-verdrag hebben verplichtingen, zoals het uitwerken van nationale programma’s ter bestrijding van klimaatverandering, onderzoek doen naar nieuwe technologieën, samenwerken in de voorbereiding van aanpassingen aan de gevolgen van klimaatveranderingen, rapportering, enzovoort.

Onder het akkoord van Parijs hebben landen doelstellingen die om de 5 jaar beoordeeld worden. In aanloop naar COP26 te Glasgow diende de EU en zijn lidstaten een verhoogde doelstelling in van ten minste 55% tegen 2030 en dit ten opzichte van 1990. Deze verhoogde doelstelling wordt uitgewerkt onder het Europese ‘Fit for 55’ pakket.

Ontwikkelde landen, zoals België, worden bovendien verplicht om ontwikkelingslanden te ondersteunen bij het naleven van hun verplichtingen onder het klimaatverdrag.

Onder andere de Belgische ontwikkelingssamenwerking levert hiervoor inspanningen. De Belgische ontwikkelingssamenwerking kan hiervoor ook rekenen op wetenschappelijke ondersteuning. De onderzoeksgroep KLIMOS bood jarenlang deze ondersteuning met vormingen en met de ontwikkeling van een toolkit voor de integratie van milieuaspecten binnen de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Recent ging een nieuwe onderzoeksgroep van start die DGD zal ondersteunen voor het thema klimaat en veiligheid.

Klimaat is erg verbonden met andere leefmilieuthema’s zoals biodiversiteit en desertificatie. Dit samenspel van leefmilieuaspecten wordt duidelijk geïllustreerd bij bossen.

Klimaatakkoord Parijs

Op 12 december 2015 schaarden alle 195 lidstaten van de VN zich in Parijs achter een ambitieus klimaatakkoord. Maar wat staat er precies in? En kunnen we nu echt de opwarming van de aarde tegengaan?

Het zogenaamde Paris agreement is het allereerste universele, wettelijk bindende klimaatakkoord. Anders dan bij het Kyoto Protocol voorziet het klimaatdoelstellingen voor alle landen.

Sleutelelementen

Drievoudige doelstelling

  • De opwarming van de aarde beperken tot ruim onder 2°C in vergelijking met het pre-industriële niveau. Als het enigszins kan zelfs tot 1,5°C.
  • De capaciteit van de landen verhogen om zich aan te passen aan de impact van de klimaatverandering. Streven naar klimaatweerbare landen met een lage uitstoot van broeikasgassen.
  • Investeringen nastreven om deze doelstellingen te verwezenlijken.

Uitstoot beperken

  • Om de 2°C/1,5°C-doelstelling te halen dient de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen ‘zo snel mogelijk’ zijn piek te bereiken. Ontwikkelingslanden krijgen wat meer respijt.
  • Na de piek moet de uitstoot snel dalen, in overeenstemming met de wetenschappelijke inzichten voor de 2°C/1,5°C-doelstelling. Het streefdoel is een koolstofneutrale wereld in de tweede helft van deze eeuw, dus evenveel koolstof uitstoten als opslaan.
  • De landen moeten hun nationale bijdragen om de uitstoot te beperken herzien in 2020, dus nieuwe doelstellingen formuleren of bestaande doelstellingen actualiseren.

Wettelijk bindend

  • Het akkoord van Parijs is een bindend akkoord. Na bekrachtiging (‘ratificatie’) wordt het nationale wetgeving voor landen die het akkoord onderschrijven.
  • Elke lidstaat heeft de verplichting om nationale bijdragen te bepalen en aan te houden om de uitstoot te beperken.

Transparantie en 5-jarige herzieningen

  • Lidstaten komen om de 5 jaar bijeen om hun doelstellingen scherper te stellen op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten.
  • Lidstaten informeren elkaar en het publiek over de vooruitgang van hun klimaatacties.
  • Een robuust systeem voor transparantie en aanrekenbaarheid volgt de vooruitgang van de 2°C/1,5°C-doelstelling op de voet.
  • Er komt een orgaan dat toeziet op de naleving en toepassing van het akkoord.

Aanpassing

  • Internationale samenwerking versterkt samenlevingen om de impact van klimaatverandering op te vangen. Deze moeten hun beleidsplannen op dat vlak meedelen.
  • Ontwikkelingslanden krijgen toenemende steun (onder meer via overdracht van technologie) om hun kwetsbaarheid te verminderen en hun weerbaarheid te verhogen.

Verlies en schade

  • Verlies en schade door klimaatverandering moet beperkt en aangepakt worden. Er worden samen regionale verzekeringsmechanismen ontwikkeld waarmee de risico’s en kosten gedeeld worden van de schade die het gevolg is van klimaatverandering.
  • Via internationale samenwerking worden systemen uitgewerkt om klimaatgevoelige gebieden bij te staanearly warning, voorbereiding op rampen, …

Financiering

  • Ontwikkelde landen houden vast aan de afgesproken 100 miljard dollar steun per jaar aan ontwikkelingslanden om hun weerbaarheid te versterken en de uitstoot te beperken. Om de twee jaar geven ze uitleg over die financiering. Het bedrag wordt in 2025 herzien.
  • Andere landen – waaronder de groeilanden – worden aangemoedigd om op vrijwillige basis financiering te voorzien.

Volgende stappen

  • Nadat het akkoord werd overeengekomen was de eerstvolgende uitdaging de inwerkingtreding van het akkoord. Hiertoe diende een dubbele drempel overschreden te worden: de ratificatie van 55 landen die moeten instaan voor op zijn minst 55 % van de mondiale emissies. Deze drempel werd in een recordtempo bereikt en reeds vanaf november 2016 trad het akkoord in werking.
  • Het akkoord diende ook om volledig operationeel te worden verder uitgewerkt te worden in een multilateraal systeem van regels. Deze regels bepalen hoe het akkoord van Parijs concreet moet toegepast worden voor zijn verschillende onderdelen. Dit multilateraal systeem van regels of ‘rulebook’ werd onderhandeld in de jaren volgend op Parijs en kon op COP24 in Katowice bijna volledig afgerond worden. De grote uitzondering hierop is tot op heden het marktmechanisme en de uitwisseling van kredieten tussen landen onder het akkoord van Parijs..
  • De grootste uitdaging na het bereiken van het akkoord van Parijs is evenwel het verhogen van het niveau van ambitie. Zowel het UNEP Gap Report (oktober 2017) als het IPCC rapport over klimaatopwarming van 1,5°C (oktober 2018) bevestigden dat de huidige nationale doelstellingen zoals ingediend onder het akkoord van Parijs maar halfweg reiken in het realiseren van de temperatuurdoelstelling onder het akkoord van Parijs.
  • In 2018 stond een Talanoa-dialoog gepland om de vooruitgang van de nationale bijdragen onder de loep te houden tegenover deze wetenschappelijke rapporten. Deze dialoog riep alle landen om hun doelstellingen opnieuw te beoordelen in het licht van de wetenschappelijke bevindingen.
  • In september 2019 organiseerde de VN-secretaris-generaal Antonio Guterres een VN-klimaattop die bijkomende actie moest genereren en een politiek momentum moest creëren waarbij alle landen in 2020 hun doelstellingen grondig zouden versterken en ook lange termijnstrategieën inzake klimaatneutraliteit zouden indienen.

EU wil mondiaal leiderschap tonen

  • De Europese Unie en hun lidstaten hebben dienden in 2015 een reductiedoelstelling van minstens 40% tegen 2030 ten opzichte van 1990 in en deze doelstelling werd inmiddels omgezet in bindende Europese wetgeving waarbij ook België een doelstelling kreeg van -35% tegen 2030 (ten opzichte van 2005) die zij moet realiseren in sectoren als transport; landbouw en huisvesting.
  • De Europese Unie wil evenwel verder gaan en gedurende 2019 werd binnen alle geledingen van de Europese Unie de discussie gevoerd over een visiedocument dat de Europese Unie klimaatneutraal moet maken tegen 2050. Deze doelstelling voor een klimaat neutrale Europese Unie werd goedgekeurd door de Europese regeringsleiders op de Europese Raad van 12 december 2019.
  • Op 11 december 2019 presenteerde de Europese Commissie zijn voorstel voor een EU Green Deal. Deze Europese Green Deal is het meest omvangrijke klimaatpakket ooit en betekent dat er een beleid zal gevoerd worden die de Europese economie volledig transformeert en waarbij duurzaamheid doorheen alle Europese wetgeving wordt verweven. Het vergt ook de inzet van zowat alle financiële instrumenten die ter beschikking staan en dit terwijl ervoor moet gezorgd worden dat de transitie sociaal rechtvaardig is.
  • Het Europese leiderschap zal ook op diplomatiek vlak worden doorgetrokken en België engageert zich hierin ten volle. De diplomatie zal landen moeten overtuigen om klimaatambitie aan de dag te leggen. Klimaat zal ook een vast onderdeel worden van de bilaterale toppen tussen de EU en derde landen en van de handelsakkoorden.

Besluit

Het momentum van Parijs mag niet verloren gaan. Een blijvende aandacht voor de klimaat- en milieuproblematiek is noodzakelijk en daarbij kan de civiele samenleving zeker een rol spelen. Zelfs bij een opwarming met 1,5°C zullen we kampen met overstromingen en grote droogtes. Maar de gevolgen van een opwarming met meer dan 2°C gaan veel verder: zo zullen de ijskappen volledig smelten en dat zorgt voor een enorme stijging van de zeespiegel op termijn. Vandaag al leven we met een opwarming van 1°C. Voor ontwikkelingslanden komt het erop aan klimaatacties te ondernemen die terzelfdertijd de levensomstandigheden verbeteren. Zo zorgen een gezonde bodem en het herstel van gedegradeerd land zowel voor koolstofopslag als voor verhoogde voedselproductie. Net zoals voor de Duurzame Ontwikkelingsdoelen is het alle hens aan dek.

Klimaatfinanciering

Sinds 2010 wordt in het kader van de klimaatakkoorden, die gesloten werden tijdens VN-bijeenkomsten in Kopenhagen en Cancun, elk jaar een belangrijk bedrag in het budget van DGD voorzien voor klimaatfinanciering. Met het klimaatakkoord van Parijs (2015) bevestigden ontwikkelde landen hun belofte om tegen 2020 100 miljard dollar per jaar te mobiliseren voor de transitie naar een koolstofarme ontwikkeling en voor de aanpassing aan klimaatverandering in ontwikkelingslanden.

België engageerde zich om jaarlijks 50 miljoen euro bij te dragen aan de internationale klimaatfinanciering. In het interfederale akkoord over de verdeling van de Belgische klimaat- en energiedoelstellingen voor de periode 2013-2020 werd afgesproken dat de federale overheid de helft van dit engagement zou dragen. Het regeerakkoord (2014-2019) voorziet dat de federale overheid blijft bijdragen aan internationale klimaatfinanciering, onder andere via haar ontwikkelingssamenwerking.

Hieronder ziet u een grafiek met de jaarlijkse bijdrage van België aan de internationale klimaatfinanciering en het aandeel van de federale overheid daarin. Meer details over deze financiering (en de meest recente cijfers) kan u hier terugvinden via Eionet.

Belgische klimaatfinanciering verloopt voornamelijk via multilaterale fondsen zoals GEF, LDCF en GCF.

Image
Tabel toont Belgische bijdrage ten opzichte van andere overheden

Belgische bijdrage aan internationale klimaatfinanciering 2013-2018 in euro

Klimaat en Veiligheid

De impact van een veranderend klimaat kan negatieve gevolgen hebben op bijvoorbeeld de leefomgeving, of op sociaal economische aspecten van een maatschappij waardoor het risico op een verslechterde veiligheidssituatie verhoogt. Een fragiele of instabiele context kan verder achteruitgaan en escaleren tot conflict.

Het Belgisch buitenlands beleid en haar ontwikkelingssamenwerking geven ernstige aandacht aan deze negatieve impact van klimaatverandering, zowel via ons internationaal politiek handelen, als via de programma’s die we initiëren en ondersteunen in onze partnerlanden en elders.

België steunt de politieke resoluties in de Verenigde Naties die het probleem erkennen en oproepen tot meer analyse en integratie van de thematiek in het beleids- en operationeel handelen van de VN. Daarom steunt België ook het Climate and Security Mechanism, dat het onderwerp ‘klimaat en veiligheid’ verder uitwerkt binnen het VN-systeem. 

België werkte constructief mee aan de totstandkoming van de plannen ‘klimaat en veiligheid’ binnen de Europese Unie en binnen de NAVO en blijft de implementatie ervan binnen deze twee organisaties nauw opvolgen. Verder zet het deze thematiek duidelijk op de agenda van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) tijdens haar voorzitterschap van het Forum on Security Cooperation in het najaar van 2022. 

Van 2020 tot eind 2021 liep in opdracht van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking een onderzoek rond klimaat en veiligheid in ontwikkelingssamenwerking. Een academische groep onder leiding van de KULeuven voerde onderzoek naar de wisselwerking tussen klimaat en klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking. De groep formuleerde adviezen hoe de Belgische Ontwikkelingssamenwerking kan bijdragen tot verhoogde aanpassing en weerbaarheid in partnerlanden met als doel om het klimaatrisico op menselijke veiligheid te verminderen. 

Die analyse en andere inzichten worden geïntegreerd in de nieuwe programma’s van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, zoals bijvoorbeeld de regionale klimaatinterventie in de Sahel.