Kampani verschaft geduldig groeikapitaal aan coöperaties en kleine landbouwbedrijven

Sociaal investeringsfonds Kampani bedient de missing link: relatief kleinschalige landbouwbedrijven of coöperatieven die meer nodig hebben dan microfinanciering maar te klein zijn om investeringen te bemachtigen bij reguliere impactinvesteerders. Dankzij een subsidie van onze FOD kon het de investeringsrisico’s beperken en meer investeerders aantrekken.

  1. Laatst bijgewerkt op
Image
Foto van twee mannen die poseren voor een affiche van een koffiekwekerij

Mede dankzij de investering door Kampani vertegenwoordigt COCOCA - een consortium van coöperatieven van koffiekwekers – nu al 15% van de nationale productie in Burundi (© Kampani).

Sociaal investeringsfonds Kampani bedient de missing link: relatief kleinschalige landbouwbedrijven of coöperatieven die meer nodig hebben dan microfinanciering maar te klein zijn om investeringen te bemachtigen bij reguliere impactinvesteerders. Dankzij een subsidie van onze FOD kon het de investeringsrisico’s beperken en meer investeerders aantrekken.

Image
Icoontjes van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen 1, 2 en 8

De Belgische ngo’s leveren mooi werk. Zo slagen ze er vaak in om de pure overlevingslandbouw van kleinschalige boeren of coöperatieven te laten uitgroeien tot een economisch levensvatbare activiteit die de levensstandaard van hun gezinnen kan opkrikken. Maar om echt door te groeien – en bijvoorbeeld nieuwe markten in te palmen of hun groenten of fruit verder te verwerken – hebben ze kapitaal nodig.
 

Missing link


En daar hapert het vaak. Bij een instelling voor microfinanciering kunnen ze maar veel te kleine bedragen ontlenen voor wat ze willen realiseren. En development finance institutions (DFI’s of ‘financieringsinstellingen voor ontwikkeling’) – zoals het Belgische BIO – komen uitsluitend over de brug als de investering minstens 1 miljoen euro bedraagt.

Best frustrerend dus voor onze ngo’s die moeten toezien hoe hun uitstekende realisaties uiteindelijk toch niet echt van de grond komen. Vandaar dat in 2015 5 Belgische ngo’s – Rikolto, Louvain Coopération au Développement, Broederlijk Delen, Trias en Oxfam – de handen in elkaar sloegen om Kampani boven de doopvont te houden: een sociaal investeringsfonds dat specifiek deze missing link bedient.
 

Sociale insteek


Kampani investeert bedragen tussen de 100.000 euro en 500.000 euro met een vrij lange investeringshorizon van 10 jaar. Niet voor werkingskosten maar voor kapitaaluitgaven zoals voor terreinen, gebouwen, machines en uitrusting. Daarmee bereikt het fonds de kleine en middelgrote landbouwbedrijven en coöperaties die elders uit de boot vallen. Het fonds is gespecialiseerd in agri-food, dus de hele keten van voedsel- en niet-voedsellandbouwproducten, van productie over bewaring en verwerking tot vermarkting en consumptie.

Als sociaal investeringsfonds hanteert Kampani vanzelfsprekend een sterk sociale insteek. Zo focust het op tewerkstelling voor vrouwen of inheemse gemeenschappen. Boeren – die vaak heel arm zijn en afgelegen wonen – krijgen steun om te investeren in automatisering, mechanisatie en verwerking. Zo kunnen ze een groter deel van de meerwaarde in de waardeketen voor zich houden.
 

Nauw betrokken


Typisch voor Kampani is dat het nauw betrokken is bij het beheer van de bedrijven of de coöperatieven. Zo zal het altijd iemand afvaardigen in de raad van bestuur. Het fonds staat ook garant voor bijkomende technische ondersteuning, bijvoorbeeld in goede landbouwpraktijken of financiële geletterdheid. Meteen allemaal manieren om de risico’s van de investering te beperken.

Wat ook helpt, is dat Kampani meestal voortbouwt op projecten van Belgische ngo’s of van het Belgisch ontwikkelingsagentschap Enabel. De bedrijven waarin het investeert, zijn dus goed gekend en hebben al hun deugdelijkheid bewezen.

Niet te vergeten, het fonds legt zich ook nauwgezet toe op ‘duurzame ketenzorg’. Om de volledige keten sociaal en duurzaam te houden, doet het een beroep op externe consultants. Zij voeren een marktanalyse uit en lichten de financiële leefbaarheid van het bedrijf door, naast de sociale impact en het bestuur.
 

Burundi: droge molen voor koffie


De aanpak werpt duidelijk vruchten af! Een mooi succesverhaal is COCOCA, een consortium van coöperatieven van koffiekwekers in Burundi. Als grootste groepering van kleine koffiekwekers in Burundi vertegenwoordigt ze ondertussen al 15% van de nationale productie. En dat was mede te danken aan een investering door Kampani waardoor het onder andere een ‘droge molen’ kon aanschaffen.

Zo’n droge molen laat toe om de koffiebonen te reinigen van vezels en steentjes, te pellen en te sorteren op grootte, kleur en gewicht. Kortom om koffie van hoge kwaliteit te produceren die klaar is voor de markt. Voordien moest COCOCA die bewerkingen elders laten uitvoeren. Vandaag doet ze het zelf en vloeit de meerwaarde van het afgewerkte product rechtstreeks terug naar de producenten.

De eigen verwerking zorgt er ook voor dat de koffie beter traceerbaar is – van welke boer komt de koffie? – wat van belang is om labels zoals fair trade en biologisch te behalen. Maar ook de nabije begeleiding door onder andere Broederlijk Delen vormden een sleutel voor het succes.

Image
Foto van twee vrouwen die ananassap bottelen

Mede dankzij de investering door Kampani kan OJA (Benin) voortaan ook ananassap inblikken (© Kampani).

Benin: ananassap in blik

In Benin ondersteunt Enabel al jarenlang de uitbouw van de ananasketen. Dat leidde er onder andere toe dat het bedrijf OJA – Original Jus d’Ananas – ananassen opkoopt van 135 kleine boeren om het sap ervan te bottelen en uit te voeren naar Niger en Burkina Faso. Om nieuwe markten te veroveren wilde het bedrijf ananassap in blik produceren.

Kampani investeerde 150.000 euro waarmee OJA niet alleen een inblikmachine kon aanschaffen, maar ook een opslagplaats kon bouwen en zich kon aansluiten aan het elektriciteitsnet. Door de grotere afzet zullen de boeren meer ananas kunnen verkopen en dus hun inkomen zien stijgen.
 

Geen rendement


Hoewel de aanpak overduidelijk werkt, kan Kampani als investeringsfonds slechts een beperkt financieel rendement bieden aan de investeerders. Dat is inherent aan de gekozen investeringsstrategie. Het fonds streeft er wel naar dat iedereen op zijn minst zijn inleg terugkrijgt plus een rendement gelijk aan de inflatie. De heel nabije opvolging kost immers geld. Maar dat vormt nu eenmaal de kern van de Kampani-aanpak omdat zo de risico’s op vlak van management en dergelijke beperkt worden. Bovendien heeft de doelgroep begeleiding nodig. Daarnaast kunnen de projecten van Kampani ook onderhevig zijn aan externe schokken zoals natuurrampen of politieke instabiliteit.

Kampani trekt dus idealistische investeerders aan die vooral een sociale impact beogen en geen winst verwachten. Alleen is dat een kleine vijver om in te vissen. Dat ondervond het fonds toen het in 2020 zijn activiteiten wou opschalen. Omwille van de hoge risico’s bleek het niet evident om bijkomende investeerders aan te trekken.
 

Subsidie voor risicoverlaging


Op dat moment kwam de Belgische overheid tussenbeide. De directie-generaal Ontwikkelingssamenwerking van onze FOD kende een subsidie toe van 900.000 euro voor de periode 2021-2024. Daarmee kon Kampani haar risicoprofiel verlagen en nieuwe private investeerders over de streep te trekken. 

Zo kon Kampani een ‘eerste-verliestranche’ invoeren. Dat betekent dat Kampani bij verlies de eerste 5% ervan zelf draagt. Anders gezegd: op een aandeel van 100 euro incasseert de investeerder pas het verlies vanaf de 6de euro. Dat verlaagt duidelijk de drempel voor potentiële investeerders.

De subsidie liet ook toe om de investeringsrisico’s te verminderen op het niveau van een individuele transactie. Denk aan wisselkoersrisico’s, politieke risico’s (door een verzekering te nemen) en risico’s gelinkt aan markttoegang (door certificaten te bekomen zoals fairtrade en biologisch, en de voedselveiligheid en traceerbaarheid te garanderen). Met het geld kan Kampani tevens de te steunen bedrijven investeringsklaar maken: door de financiële capaciteit te versterken, door haalbaarheids- en marktstudies uit te voeren en zo meer.
 

14 miljoen euro, 19 deals


Het duwtje in de rug door onze FOD bleek een schot in de roos. De fondsgrootte groeide aan van 4 miljoen euro tot 14 miljoen euro. Vandaag beheert Kampani 19 deals verspreid over Afrika, Latijns-Amerika en Azië. Een verwerkingsinstallatie van gember in Peru, een molen voor kaneel in Indonesië, rijpkamers voor bananen in Tanzania, productie van mangopulp in Kenya…, de producten zijn heel divers. In totaal worden zo’n 100.000 kleinschalige boeren rechtstreeks bereikt.

De ambitie is om te groeien tot een fonds van 20 miljoen euro. Dat moet 40 deals mogelijk maken. Op dit moment zijn de investeerders – naast de al vermelde ngo’s – een aantal private investeerders, de Katholieke Universiteit Leuven, de Koning Boudewijnstichting, de Boerenbond, CERA en enkele vermogende families.
 

Na te streven model


Voor onze FOD is Kampani een belangrijke partner. Het vormt immers de ideale brug tussen enerzijds traditionele ontwikkelingsorganisaties zoals ngo’s en Enabel die via subsidies technische bijstand verlenen, en anderzijds impactinvesteerders zoals BIO die grotere bedragen investeren en een substantieel rendement verwachten.

Zijn investeringen in landbouwondernemingen genereren grote en langdurende voordelen op voor de betrokken gemeenschappen. Kortom, door in te zetten op de missing middle levert Kampani een mooie bijdrage aan de strijd tegen armoede en honger. Het is met recht en reden een na te streven model voor andere sectoren zoals gezondheid en water.