België verzoekt advies omtrent de intra-Europese toepassing van de geschillenbeslechtingsbepalingen uit het toekomstige, gemoderniseerde Verdrag inzake het Energiehandvest

België verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om advies over de verenigbaarheid van de intra-Europese toepassing van de geschillenbeslechtingsbepalingen uit het toekomstige, gemoderniseerde Energiehandvestverdrag met de Europese verdragen.

België wil met deze vraag van het Hof meer juridische duidelijkheid krijgen over de kwestie of het mechanisme voor geschillenbeslechting, waarin het ontwerp van gemoderniseerd Energiehandvestverdrag voorziet, verenigbaar is met het Unierecht. Dat mechanisme zou immers zodanig kunnen worden geïnterpreteerd dat het op intra-Europees niveau toepasbaar zou kunnen zijn, anders gezegd tussen een investeerder die uitsluitend onderdaan is van een EU-lidstaat enerzijds en een EU-lidstaat anderzijds.  

België wil hierin geen vooraf vastgesteld standpunt verdedigen, maar gelet op de gerezen onzekerheden en de onenigheid die tussen de lidstaten is ontstaan over de vraag of de lessen uit het arrest-Achmea [1] van het Hof al dan niet moeten worden toegepast op het desbetreffende verdrag, is het van mening dat die juridische duidelijkheid nodig is om complicaties uit eventuele latere rechtsbetwisting te vermijden.

Omdat het er bij dergelijk adviesverzoek om gaat duidelijkheid en rechtszekerheid te bieden, stelt België zijn vraag derhalve op een neutrale manier aan het Hof. Aanleiding van het verzoek vormt een beslissing van het intra-Belgisch coördinatieorgaan voor Europese zaken, de DGE, die vertegenwoordigers van de federale regering en van de deelstaatregeringen verenigt.   

 

[1] Het arrest-Achmea, dat het Hof op 6 maart 2018 uitsprak in zaak C-284/16, bepaalt dat het arbitragebeding in de overeenkomst over investeringsbescherming tussen Nederland en Slowakije afbreuk doet aan de autonomie van het Unierecht en er bijgevolg niet mee verenigbaar is.