Corruptie, witwassen van geld en financiering van terrorisme

  1. Noch gültig am
  2. Zuletzt aktualisiert am

Strijd tegen corruptie

De strijd tegen corruptie staat als prioriteit aangemerkt in het Nationaal Veiligheidsplan van de Belgische regering. Corruptie op grote schaal is immers een plaag die de duurzame economische ontwikkeling van een land ernstig bedreigt en die de economische en sociale ongelijkheid doet toenemen. Corruptie is ook een belangrijke geldbron voor de georganiseerde misdaad en voor de financiering van terrorisme.

De strijd tegen corruptie maakt deel uit van de Agenda voor Duurzame Ontwikkeling 2030 (SDG 16: Vrede, justitie en sterke publieke diensten; SDG 16.5 ‘Op duurzame wijze komaf maken met corruptie en omkoperij in al hun vormen’).

Sinds 2019 beschikt de Europese Unie over een mechanisme voor evaluatie van de rechtsstaat. De evaluatiewerkzaamheden zijn geënt op 4 pijlers: het rechtsstelsel, het kader voor corruptiebestrijding, de mediapluriformiteit en de andere institutionele checks-and-balances.

De strijd tegen corruptie is onlosmakelijk verbonden met de zorgvuldigheidsplicht tot verantwoord ondernemerschap. Die stelt dat ondernemingen de negatieve gevolgen van hun activiteiten op de mensenrechten, het milieu en de corruptie moeten vermijden.

In België wordt corruptie beteugeld door het Strafwetboek zoals gewijzigd bij de wet van 10 februari 1999 (op haar beurt gewijzigd bij de wet van 11 mei 2007). Corruptie in de openbare sector is opgenomen in artikelen 246 en volgende van het Strafwetboek, corruptie in de privésector in artikelen 504bis en volgende van datzelfde Strafwetboek.

België ondertekende de onderstaande internationale overeenkomsten:

  • Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (31 oktober 2003)

Dat is het enige universele anticorruptieverdrag. Als ondertekenende partij is ons land onderworpen aan een evaluatie waarbij via een ‘peer review’ wordt nagegaan of België de verdragsbepalingen daadwerkelijk toepast. De betrokken staat wordt geëvalueerd door twee andere verdragstaten die bij loting worden aangewezen. Elke evaluatiecyclus, waarin alle staten moeten worden geëvalueerd, duurt 5 jaar. Na de evaluatie van het land wordt er een analytische samenvatting gepubliceerd op de website van het VN-bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC).

De FOD Buitenlandse Zaken faciliteert de interinstitutionele beleidscoördinatie van de mechanismen voor follow-up van de internationale evaluaties waaraan België moet deelnemen. In het kader van dat internationale monitoringproces heeft België een methodiek van goed bestuur aanbevolen. Dat instrument moedigt de internationale organisaties aan hun synergiën en de coördinatie te versterken om dubbele evaluaties te vermijden.

België voltooide in 2016 zijn eerste evaluatiecyclus over de hoofdstukken III (Criminalization) en IV (International cooperation). De tweede evaluatiecyclus heeft betrekking op hoofdstukken II (Preventive measures) en V (Asset recovery). De samenvattingen van de evaluatierapporten kunnen hier worden geraadpleegd.

In oktober 2016 heeft België overigens de zes beginselen bekrachtigd die de transparantie van het evaluatieproces van het Verdrag waarborgen om de participatie van de civiele samenleving te bevorderen. In oktober 2016 bekrachtigde België trouwens de zes beginselen die de transparantie van het evaluatieproces van het verdrag waarborgen om de participatie van de civiele samenleving te bevorderen.

Het nationaal contactpunt voor richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) binnen de FOD Economie werkte samen met de FOD Justitie een Anticorruptiegids voor Belgische ondernemingen in het buitenland uit. De gids maakt hen bewustmaken over de risico’s van corruptie en helpt hen bij de naleving van de regels in de strijd tegen de omkoping van buitenlandse ambtenaren bij internationale zakelijke transacties.

De FOD Buitenlandse Zaken bezorgde alle diplomatieke posten via een instructie de OESO Due Diligence handreiking voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (2017) om de Belgische ondernemingen in het buitenland praktische hulpmiddelen aan te reiken voor de strijd tegen corruptie.

In oktober 2015 ondertekenden de FOD’s Justitie en Buitenlandse Zaken een memorandum van overeenstemming. Dat bepaalt dat de Belgische diplomatieke posten in het buitenland die informatie hebben over corruptie die betrekking kan hebben op Belgische bedrijven in het buitenland, dat meteen moeten meedelen aan de directie-generaal Multilaterale Zaken en Mondialisering van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken. Die geeft de aangifte door aan de bevoegde autoriteit. De FOD Justitie rapporteert aan de Federale Procureur.

Dit Verdrag is gericht tegen actieve en passieve corruptie in de overheids- en de privésector. België maakt ook deel uit van de Group of States against Corruption (GRECO), die toeziet op de toepassing van het Verdrag in de lidstaten.

Informatieverwerking (CFI) het kloppende hart van het preventieve apparaat in de strijd tegen het witwassen van crimineel geld, de financiering van terrorisme en proliferatie. De CFI is ook voorzitter van de partnerraad van het

Witwassen van geld

Geld witwassen is kapitaal of fondsen verhullen waarvan de illegale herkomst bekend is, zoals drugs, afpersing, oplichting, wapenhandel, fraude, enzovoort.

In België is de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) voor de coördinatie van de strijd tegen het witwassen van geld van illegale herkomst. Die raad houdt zich bezig met witwasrisico's en preventief beleid. Samen met de andere partners is hij ervoor verantwoordelijk om een analyse van de witwasrisico’s op te stellen.

De wet van 18 september 2017 regelt de omzetting in nationaal recht van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie.

De strijd tegen het witwassen van geld is tweeledig:

  • preventief: als gevolg van deze regeling zijn ondernemingen en personen op wie de wet betrekking heeft, verplicht samen te werken en informatie door te geven om verdachte financiële verrichtingen op te sporen en te melden aan de CFI (meldingsplicht);
  • repressief: geregeld in artikel 505 van het Strafwetboek. Dat artikel is gericht op drie gedragingen die kunnen wijzen op het misdrijf van witwassing:
    • verruimde heling: kopen, ruilen, ontvangen, bezitten, bewaren of beheren van vermogensvoordelen die uit een misdrijf zijn verkregen;
    • de omzetting of overdracht van de zogenaamde vermogensvoordelen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of verdoezelen;
    • de verheling of verhullingen van de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de vermogensvoordelen. Het artikel richt zich voornamelijk op naamleners, stromannen, schermvennootschappen benutten of financiële vennootschappen of instellingen in offshorecentra, fiscale paradijzen, enzovoort gebruiken.

De wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen wijzigt het Wetboek van Strafvordering. De wet bevordert de uitwisseling en verspreiding van informatie tussen de verschillende instanties die bevoegd zijn voor de bestrijding van witwaspraktijken. Op grond van, op basis van die wet heeft de procureur des Konings voortaan de toestemming om bij de volgende instanties de nodige informatie op te vragen over financiële producten, diensten en verrichtingen en over virtuele waarden die betrekking hebben op een verdachte:

  • instellingen bedoeld in artikel 5, § 1, 3° tot 22° van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
  • het centrale contactpunt van de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest.

Wanneer de CFI overeenkomstig artikel 44/11/3ter, § 4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt informatie heeft doorgegeven aan de gemeenschappelijke gegevensbanken, kan alle relevante informatie worden meegedeeld aan de diensten die op grond van, op basis van die wet of haar bijbehorende uitvoeringsbesluiten rechtstreeks toegang hebben tot alle of een deel van de persoonsgegevens en informatie die in die gemeenschappelijke gegevensbanken zijn opgeslagen. Die diensten mogen de informatie alleen gebruiken voor de doeleinden waarvoor ze toegang hebben tot gemeenschappelijke gegevensbanken.

Financiering van terrorisme en proliferatie

De bestrijding van terrorisme en de financiering ervan maken deel uit van het nationale veiligheidsplan van België. Een nuttig hulpmiddel hierbij zijn de 40 aanbevelingen van de Financial Action Task Force (FATF) tegen het witwassen van geld, de financiering van terrorisme en proliferatie.

De aanbevelingen zijn onderverdeeld in vier groepen:

  • rechtsstelsel (aanbevelingen 1, 2, 3);
  • maatregelen die de financiële instellingen en de niet-financiële ondernemingen en beroepen moeten nemen in de strijd tegen het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (aanbevelingen 4 tot 25);
  • institutionele maatregelen en maatregelen die nodig zijn in de stelsels ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (aanbevelingen 26 tot 34);
  • internationale samenwerking (aanbevelingen 35 tot 40).

De FATF is samengesteld uit 38 landen en twee regionale organisaties, naemelijk de Europese Unie en de Raad voor Samenwerking van de Arabische Golfstaten. Hij werd in 1989 opgericht door de G7 en werkt op basis van peer reviews.

België was het voorwerp van een evaluatie op de plenaire vergadering van de taskforce in februari 2015. De evaluatie, fase IV genaamd, gaat over de technische conformiteit (de mate waarin de wetgeving van de lidstaat overeenstemt met de normen van de taskforce) en de doelmatigheid (de mate waarin de aanbevelingen effect sorteren).

België moet zich nu voegen naar de opmerkingen van de taskforce om volledig aan de 40 aanbevelingen te voldoen.